Schelpen, wat zijn dat eigenlijk?
Een schelp is het kalkskelet van schelpdragende weekdieren. Tot de weekdieren behoren
slakken, maar ook inktvissen. Weekdieren hebben geen botstructuur, zoals mensen en
zoogdieren. Sommige hebben een nauwelijks herkenbaar inwendig skelet, denk aan naaktslakken
of helemaal geen, zoals octopussen. Weekdieren kunnen overal voorkomen: op het land en diep
in grotten, in meren, beekjes en rivieren, en ook in zeeën en oceanen, zelfs tot grote
diepten.
Schelpdragende weekdieren vormen een skelet van kalk, een verbinding van calcium, koolstof
en zuurstof (CaCO3, ook wel calciumcarbonaat genoemd). Het skelet kan de vorm hebben van
een schaal, van een gedraaid slakkenhuisje, van twee bij elkaar horende kleppen, van een
nautilus en nog veel meer. Zo heeft een inktvissoort, de zeekat, een inwendige schelp van
schuimachtige kalkstructuur die we wel zeeschuim noemen.
De uitwendige schelp geeft het weekdier bescherming tegen bijvoorbeeld uitdroging, en tegen
predatoren. De uitwendige schelpen zijn opgebouwd uit verschillende lagen. De stevige
middenlaag bevat veel kalk (calciumcarbonaat, uitgekristalliseerd als aragoniet of calciet).
Aan de buitenkant zit bij sommige soorten een hoornige opperhuid (van conchioline) die
glad kan zijn, of ruw en harig. Aan de binnenkant zit soms een laagje parelmoer. Sommige soorten
hebben bovendien een hoornachtig plaatje op de voet dat de mondopening kan afsluiten wanneer
het dier zich in de schelp terugtrekt. Dit afdekplaatje wordt operculum genoemd.
Als het weekdier doodgaat, blijft de schelp over. Zo zijn er schelpen bewaard in
sedimentslagen van miljoenen jaren geleden, die noemen we fossiele schelpen. Schelpen van
zeeweekdieren noemen we mariene schelpen. En zo onderscheiden we daarnaast schelpen van
landslakken en van zoetwaterslakken. Hoeveel schelpen er wel zijn, weet niemand. De
schattingen lopen uiteen van 50.000 - 125.000 verschillende soorten, en jaarlijks worden er
vele tientallen nieuwe soorten ontdekt.
Het zijn juist de hoeveelheid vormen en kleuren van al die soorten schelpen die maken dat we
er door worden verwonderd. Die verwondering kan leiden tot verzamelwoede, tot de wens ze te
fotograferen, na te schilderen, of ze te verwerken in sieraden. Het prikkelt de
nieuwsgierigheid en weetgierigheid. Schelpen zijn daarmee een onuitputtelijke bron voor
onderzoek en esthetisch genoegen. Wereldwijd, en al sinds mensenheugenis.
Er zijn ook nog bepaalde schaaldieren met een kalkskelet. We denken dan aan kreeftachtigen
zoals de zeepokken en de eendenmossels. De skeletten van deze dieren worden niet bedoeld
als we het hebben over schelpen.
[ naar boven ]
|