Welke soorten weekdieren zijn er zoal?

Weekdieren komen overal voor: op het land, of in zoet, brak of zout water. Iedereen kent wel een of meerdere vertegenwoordigers van deze groep. Zoals de slakken in de tuin -al dan niet met een huisje, of de escargots, mosselen en oesters die in de restaurants worden aangeprezen, of de inktvissen bij de vishandelaar. Er zijn kleine soorten, met een romplengte van nauwelijks 1 mm, terwijl de grootste inktvissen wel 8 meter halen, en met hun tentakels meegerekend lengtes van wel 22 meter bereiken. Daarmee doen ze dus niet onder voor de grootste gewervelde dieren.
Weekdieren zijn onder te verdelen in twee grote groepen, die vervolgens weer verder zijn in te delen. Dit zijn de stekelweekdieren en de schelpdragende weekdieren. Tot de eerste groep, die we in het Latijn (van oudsher de taal van de wetenschap) Aculifera noemen, behoren weekdieren die in zee op grotere diepten voorkomen en die dus nauwelijks bekend zijn, zoals de wormmollusken en de schildvoetigen. Maar ook de keverslakken en veel vertegenwoordigers van deze op pissebedden lijkende groep worden aangetroffen op stenen in de brandings- en spatzone, ook in ons land. De andere groep, die van de schelpdragende weekdieren heet in het Latijn Conchifera. Tot deze groep rekenen we de mutsdragers (uit de diepzee), de slakken (ook wel buikpotigen genoemd), de tweekleppigen (waarvan schelpen overdadig aanspoelen op de stranden), de stoottandslakken (die zich ingraven en daardoor weinig bekend zijn) en de koppotigen (wat een verzamelnaam is voor inktvissoorten).

Buccinum undatum, Bretagne - Frankrijk © H.J. Veldhuis
Lyropecten subnodosus, Peru © S. van Leeuwen
Stoottand © J.A. Buijse
slak
tweekleppige
stoottandslak
Chiton canariensis, Tenerife © H.J. Veldhuis
Sepia officinalis, Malta © H.J. Veldhuis
keverslak
koppotige


www.spirula.nl   Laatst gewijzigd: 16 April 2010