Welke soorten weekdieren zijn er zoal?
Weekdieren komen overal voor: op het land, of in zoet, brak of zout water. Iedereen kent wel
een of meerdere vertegenwoordigers van deze groep. Zoals de slakken in de tuin -al dan niet met
een huisje, of de escargots, mosselen en oesters die in de restaurants worden aangeprezen, of de
inktvissen bij de vishandelaar. Er zijn kleine soorten, met een romplengte van nauwelijks 1
mm, terwijl de grootste inktvissen wel 8 meter halen, en met hun tentakels meegerekend
lengtes van wel 22 meter bereiken. Daarmee doen ze dus niet onder voor de grootste gewervelde
dieren.
Weekdieren zijn onder te verdelen in twee grote groepen, die vervolgens weer verder zijn in
te delen. Dit zijn de stekelweekdieren en de schelpdragende weekdieren. Tot de eerste groep,
die we in het Latijn (van oudsher de taal van de wetenschap) Aculifera noemen, behoren
weekdieren die in zee op grotere diepten voorkomen en die dus nauwelijks bekend zijn, zoals
de wormmollusken en de schildvoetigen. Maar ook de keverslakken en veel vertegenwoordigers
van deze op pissebedden lijkende groep worden aangetroffen op stenen in de brandings- en
spatzone, ook in ons land. De andere groep, die van de schelpdragende weekdieren heet in
het Latijn Conchifera. Tot deze groep rekenen we de mutsdragers (uit de diepzee), de
slakken (ook wel buikpotigen genoemd), de tweekleppigen (waarvan schelpen overdadig
aanspoelen op de stranden), de stoottandslakken (die zich ingraven en daardoor weinig bekend
zijn) en de koppotigen (wat een verzamelnaam is voor inktvissoorten).
|
|
|
|
slak
|
tweekleppige
|
stoottandslak
|
|
|
|
keverslak
|
koppotige
|
|