Waar kun je zelf schelpen vinden?
In het antwoord beperken we ons tot dat, wat door de gemiddelde privé persoon mogelijk is.
Schelpen kun je natuurlijk het best vinden op of nabij de plaatsen waar het schelpdragende
weekdier is doodgegaan. Zo zijn er tweekleppigen die in het zand leven net beneden de
laagwaterlijn en waarvan de kleppen na hun dood door de branding op het strand aan land
spoelen. Maar er zijn ook inktvissen die jagen op schelpen, hun buit meeslepen naar hun hol
en daar de schelp kraken alvorens hun prooi op te peuzelen, de lege schelpen vind je dan
vaak op enige afstand bij elkaar. Heremietkrabbetjes hebben de gewoonte lege slakkenhuizen
op te zoeken, waarin ze hun weke achterlichaam beveiligen. Wanneer ze groter worden
verhuizen ze ook naar een grotere schelp. Deze krabbetjes zijn vaak makkelijker te vinden
dan slakken.
Er zijn vissen die weekdieren met schelp en al oppeuzelen, waarna de schelp in de maag
achterblijft. Wordt de vis gevangen, dan komt ook de schelp boven water. Dit is wel gebeurd
bij soorten die anders als zeer zeldzaam bekend stonden. Ook brengen vissers op platvis of
garnalen vaak schelpdragende weekdieren als bijvangst mee naar boven en het napluizen van de
netten van deze vissers of hun afvalhopen is dan ook een door verzamelaars veel toegepaste
bezigheid. Daarnaast kunnen schelpen levend worden verzameld, in tuinen en bossen, in
vennetjes, beekjes en meren, in brak en zout watergebieden. Je kan in zee verzamelen aan de
vloedlijn door te letten op kruipsporen of ademhalingsopeningen, tussen wieren en in
getijdenpoeltjes, op rotsen en mangrovewortels. Of dieper, op koraal, op sponzen, in zand en
onder stenen. De mogelijkheden zijn zo divers als de levensomstandigheden (in het Latijn
habitat genoemd) van de weekdieren zelf.
|