Glossarium 1: Conchologische termen

In literatuur over mollusken wordt veel gebruik gemaakt van vaktermen.

Soms wordt de betekenis van deze termen in een verklarende lijst ('glossarium') uitgelegd, vaak echter gebeurt dat niet of onvoldoende. Op deze pagina worden veelgebruikte conchyologische vaktermen verklaard.
De tekst voor deze pagina is in bewerking. Er wordt hard aan uitbreiding gewerkt.

In de lijst zijn termen opgenomen die in malacologische literatuur voor komt die in Nederland gebruikt wordt. Dit betekent dat naast Nederlandse ook Engelse en Duitse termen in de lijst staan. Dit is in de tweede kolom (T) aangegeven. Daarbij wordt de volgende codering gebruikt:

    A - Algemene term
    D - Duits
    E - Engels
    N - Nederlands

Sommige termen in deze talen zijn gelijk, andere lijken sterk op elkaar. In het laatste geval zijn niet alle mogelijkheden genoemd maar wordt van de Nederlandse variant uitgegaan.
Veel termen zijn slechts bij één klasse in gebruik. Dit staat aangegeven in de derde kolom (K). Daarbij wordt de volgende codering gebruikt:

    A - Algemene term
    B - Bivalvia of schelpen
    C - Cephalopoda of inktvissen
    G - Gastropoda of slakken
    P - Polyplacophora of Keverslakken
    S - Scaphopoda of Stoottanden

De lijst is zeker niet volledig, er is een keuze gemaakt wat een zekere subjectiviteit met zich mee brengt. Als U duidelijke omissies constateert dan vernemen wij dat zeer graag.

Er is voor het samenstellen van deze lijst gebruik gemaakt van het boek:

E. Gittenberger & A.W. Janssen (red.), 1998. De Nederlandse zoetwatermollusken. Recente en fossiele weekdieren uit zoet- en brakwater. - Nederlandse Fauna 2, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS Nederland, Leiden.

Daarnaast is geraadpleegd:

Boer, T.W. de & R.H. de Bruyne, 1991. Schelpen van de Friese Waddeneilanden. - Fryske Akademy - Ljouwert, Dr. W. Backhys/U.B.S. - Oegstgeest.
Bruyne, H. de, 1991. Schelpen van de Nederlandse kust. - Jeugdbondsuitgeverij - Utrecht, Stichting Uitgeverij KNNV, Utrecht, 165 pp.
Gittenberger, E., 1981. Conchologische termen I, Gastropoda. - Informatiebladen N.M.V., nr. 6.
Kerney, M.P. & R.A.D. Cameron, 1980. Elseviers slakkengids. - Elsevier, Amsterdam/Brussel.
Senders, J. & R., 1984. Exotische schelpen. - De Nederlandsche Boekhandel/Moussault.

Andere belangrijke literatuur:

Arnold, W.H., 1965. A glossary of a thousand-and-one terms used in conchology. - The Veliger, 7, Supplement: I-III, 1-50.
Burch, J.B., 1962. How to know the eastern land snails. - Dubuque, Iowa.
Cox, L.R., 1955. Observations on gastropod descriptive terminology. - Proceedings of the Malacological Society of London, 31: 190-202.
Nordsieck, H., 1978. Zur Anatomie und Systematik der Clausilien, XIX. Das System der Clausilien, I: Taxonomische Merkmale und Gliederung der Unterfamilien. - Archiv für Molluskenkunde, 109(1/3): 67-89.
Pain, T., 1970. A short glossary of Molluscan terms. - Papers for Students, Conchological Society of Great Britain and Ireland, 4: 1-9.

Term T K Verklaring
Ab... A G weg van de ... (zoals bij abapicaal)
Abaperturaal N G van de mondopening af
Abapicaal N G van de top af
Accessorische schelpstukken N B bijkomende delen; bepaalde bivalvia hebben naast hun twee normale kleppen ook nog één of meer 'extra' schelpstukken, deze liggen op de omgeslagen schelpranden (bv Pholadidae). Hypoplax en Mesoplax zijn accessorische schelpstukken.
Acicular E G naaldvormig
Aculeate E G scherp, puntig
Acuminate E G spits toelopend
Acute E G met scherpe rand of punt
adapicaal N G naar de top toe
Adaperturaal N G in de richting van de mondopening
Adductor A B sluitspier
Adembuis N A Sipho
Adult A A volgroeid; volwassen. Zie ook juveniel
Advoluut N G met windingen die elkaar maar net even raken, bv bij Architectonica
Ad... A G naar de ... toe (zoals bij adapicaal)
Afgeknot N B stomp
Alate E G gevleugeld (bijv. de buitenlip bij Strombus
Alloiostrophie N G het huisje is niet volgens een regelmatige spiraal opgebouwd zoals bij Vermetidae
Anaalbocht N G Ook anaalsinus. Inbochting in de mondrand, samenhangend met de uitmonding van de einddarm. Bij Emarginula een inkeping in de rand, bij Bursa een inbochting rechts boven in de mondopening en bij talrijke andere soorten minder duidelijk op dezelfde plaats; bij Turridae is de inkeping wat lager in de palatale mondrand gelegen.
Anaalsinus N G Anaalbocht
Anterieur N A aan de voorkant; zie ook posterieur
Apertura A G Mondopening; opening van het slakkenhuis waar het dier door in en uit kan schuiven.
Apex A G Top van een slakkenhuis, dwz het oudste deel. Meestal het hoogste punt, behalve als het huis involuut is.
Apicaal N G de apex betreffend
Apophyse N P Een tandvormig uitsteeksel:
- vleugelachtige lippen aan de schelpstukken van een keverslak
- aan het operculum van sommige slakken (bijv. Theodoxus)
- onder het septum van bijv. Mytilopsis.
Appendiculum A B plooitje op de umbo bij schelpen van sommige Pisidium-soorten.
Archaeogastropoda N G de oudste en minst ontwikkelde orde van de klasse van de Gastropoda (bijv. Haliotidae, Patellidae, Trochidae, etc.)
Area A B meer of minder duidelijk begrensd, meestal glad veldje achter de umbo op de buitenkant van de schelp van een tweekleppige. Zie ook lunula.
As N G Columella
Axiaal A G min of meer evenwijdig aan de lengte-as van een slakkenhuisje; ook wel radiaal genoemd.
Binnenlip N G -.-.-.-.-.-.; Zie ook buitenlip
Bivalvia (bivalven) N A Tweekleppigen of schelpen. Een klasse van de Mollusca.
Vaak worden nog de termen 'Lamellibranchia(ta)' en 'Pelecypoda' gebruikt om deze groep mee aan te duiden.
Buikpotigen N A Gastropoda of slakken
Buitenlip N G -.-.-.-.-.-.; Zie ook binnenlip
Byssus N B een bundel vezels van hoornachtig organisch materiaal, afgescheiden door de voet van bepaalde tweekleppigen, waarmee de dieren zich vasthechten aan een substraat of in de grond (bijv. Mytilidae).
Callus N G Eelt; het in de conchologische literatuur veel gebruikte (mannelijke) woord callus is van Latijnse oorsprong, hoewel in die taal het (onzijdige) callum veel vaker voorkomt, met dezelfde betekenis (eelt); men zou derhalve verwachten dat in het Nederlands (analoog aan het Duitse 'der Kallus') gesproken zou worden van 'de callus', maar het is daarentegen gebruikelijk om te spreken van 'het callus'.
Een 'callus' komt overigens niet uitsluitend bij gastropoden voor, maar dezelfde term wordt eveneens gebruikt voor een verschijnsel in het slot van Pisidium personatum (zie aldaar).
Carina A A Kiel; duidelijk uitstekende ribbel aan de buitenkant van een schelp
Cardinale tanden N B onder de top gelegen hoofdtanden in een heterodont slot van een tweekleppige.
Cephalopoda N A Koppotigen of inktvissen; de meest ontwikkelde klasse van de mollusken (bijv. Octopus, Sepia, Argonauta, Loligo, Nautilus). Hiertoe behoren ook de uitgestorven ammonieten.
Chondrophoor N B lepelvormig vergroeide tand in het slot van sommige bivalven (Bijv. Mya).
Collageen N B hoornachtige stof waar byssusdraden van gesponnen worden.
Columella A G Spil; de massieve of holle centrale pijler om de denkbeeldige as van een slakkenhuis, die het centrum van het huis vormt, waar de windingen omheen gewonden zijn.
Columellair kanaal N G het kanaal dat ontstaat wanneer de windingen van een slakkenhuis op de plek van de columella niet volledig tegen elkaar aan liggen; zie ook navel.
Columellaire mondrand N G het gedeelte van de mondrand dat tegen de columella aanligt
Concaaf N A bol
Concentrisch N A aanduiding voor sculptuur- of kleurpatronen bij tweekleppigen, die evenwijdig aan de groeilijnen verlopen; ook bij het operculum gebruikt om het patroon aan te duiden waarbij de groeilijnen parallel aan elkaar en evenwijdig aan de rand van het operculum verlopen.
Conchine A A Conchioline
Conchioline A A Ook conchine; een organische stof, verwant met chitine dat het hoofdbestanddeel van het skelet van insecten en schaaldieren vormt. Het periostracum en het ligament bestaan uit deze stof.
Conchologie N A Studie van de mollusken, vooral van de schelp
Zie ook Malacologie
Conchyliologie F A Verouderde term voor conchologie
Continu A G aanduiding voor de mondrand van een slakkenhuis als die ononderbroken doorloopt.
Convex A A bol
Cuticula A A Periostracum
Cyrtoconoid A G afgerond kegelvormige schelpvorm, waarbij de raaklijn aan de windingen convex is.
Dextrors A G rechtsgewonden
Discontinu N G onderbroken, bijv. de mondrand bij veel slakkenhuisjes
Dorsaal N A aan de rugzijde
Doublet N B de twee schelpkleppen van een tweekleppige die met een slot en een slotband met elkaar verbonden zijn.
Eelt N A Callus
Epidermis A A Opperhuid of periostracum
Epiphragma A G een schijf van verhard, min of meer verkalkt slijm, waarmee de mondopening van een slakkenhuisje wordt afgesloten als de slak geruime tijd inactief is (bijv. tijdens de winterslaap of gedurende een langdurige droogteperiode); alleen bij soorten zonder operculum.
Gapen N B het niet geheel op elkaar sluiten van twee schelphelften
Gastropoda (gastropoden) N A Buikpotigen of Slakken. Een klasse van de Mollusca. Meestal gekenmerkt door een spiraalvormig opgewonden schelp. De dieren bewegen zich voort mbv een gespierde voet.
Glochidium N B de karakteristieke, planktonische larven van de grote zoetwatermossels (najaden zoals Anodonta, Unio, etc.). Levende glochidiums zijn voorzien van haken die dienen om zich voor een bepaalde periode aan de huid van vissen te kunnen vasthechten waardoor zij in staat zijn zich over grotere afstand te kunnen (laten) verplaatsen.
De schelpjes hebben een driehoekige vorm en zijn als zodanig in bodemmonsters terug te vinden. Op een niet gecorrodeerde umbo van een najade is het glochidium soms nog te zien.
Groeilijnen N A lijnen op het (buiten)oppervlak van een schelp die op korte rustperioden in de groei wijzen, in feite dus sporen van oude mondranden. De term wordt in de praktijk vaak veel ruimer gebruikt voor niet zeer krachtige radiale sculptuur.
Halfgeknot N B als de ene kant meer is afgerond dan de andere
Heterodont slot N B Een slottype met verschillend gevormde tanden.
Hypoplax N B Eén van de accessorische schelpstukken.
Hypostracum N A de binnenste laag van de schelp. De uit kalk bestaande schelp is opgebouwd uit verschillende lagen met een eigen structuur. De binnenste laag, het hypostracum, bestaat vaak uit parelmoer.
Inversodontie N B slotomkering; het verschijnsel dat bij een tweekleppige één of meer slottanden van de schelp zich op een ongebruikelijke klep bevinden (bijv. een linker tand bij uitzondering op de rechter klep).
Involuut N G -.-.-.-.-.-.-
Juveniel N A Jong, onvolwassen. Zie ook adult.
Keverslakken N A Polyplacophora
Kiel N G carina
Klep N B Eén van de twee schelphelften van een tweekleppige
Lamellibranchia(ta) N A Bivalvia of schelpen
Lateraal N B zijdelings; bij bivalven: (meestal) lijstvormige tanden, aan weerszijden van de umbo gelegen.
Ligament N B slotband; een elastische band uit conchioline opgebouwd, die de twee kleppen van een schelp bij elkaar houdt en ervoor zorgt dat de kleppen in rusttoestand geopend blijven. Hij kan zich zowel inwendig (aan de binnenkant, dus van buitenaf niet zichtbaar) als uitwendig (aan de buitenkant, dus wel zichtbaar) bevinden.
Ligamentgroeve N B Resilium
Linksgewonden N G Ook sinistrors; aanduiding voor een slakkenhuis dat het spiegelbeeld is van rechtsgewonden; sommige soorten hebben van nature een linksgewonden schelp; bij van nature rechtsgewonden soorten kunnen als zeldzame afwijkingen linksgewonden exemplaren voorkomen. Het is niet altijd duidelijk zichtbaar of een soort van nature linksgewonden is. Dit blijkt dan uit de anatomie van het dier. De schelp is dan schijnbaar rechtsgewonden zoals bijv. bij de Planorbidae.
Lip N G Mondlip
Lirae E G fijne verhoogde spiraallijntjes.
Loricata A A Polyplacophora
Lunula N B afgescheiden glad veldje vóór de umbo op de buitenkant van de schelp van een tweekleppige; zie ook area.
Malacologie A N Studie van de mollusken. In engere zin de studie (oa anatomie) van de weke delen. In bredere zin alles wat aan mollusken bestudeerd kan worden. In deze zin omvat 'malacologie' dus meer dan 'conchologie'.
Mantel N A lichaamswand van een mollusk, die onder meer zorgt voor de vorming van de schelp.
Mantelbocht N B aanhechtingsplaats van de siphobuizen; bij een lege tweekleppige aan de binnenzijde te zien als een inbochting in de mantellijn. Ook wel sinus genoemd.
Mantellijn N B plaats waar de mantel aan de schelp vast zit; bij een lege tweekleppige aan de binnenzijde te zien als een lijntje tussen de twee spierindruksels
Mesogastropoda N G middelste orde in de klasse van de Gastropoda
Mesoplax N B Eén van de accessorische schelpstukken.
Mollusca (Mollusken) N A Weekdieren. Een stam van het dierenrijk waartoe oa de slakken, schelpen, inktvissen, keverslakken, stoottanden en enkele kleinere groepen behoren.
Mondlip N G iets verdikte (meestal), opvallend gekleurde, omgeslagen, of anderszins gemarkeerde zoom langs de mondopening
Mondopening N G Apertura
Mondrand N G de grenslijn (vooraan) van de mondopening. Soms gelijkgesteld aan de mondlip hoewel dat strikt genomen onjuist is.
Monstruositeit N A afwijking van de normale natuurlijke vorm
Multispiraal N G met relatief veel spiralen; bijv. een operculum betreffend; ook vaak gebruikt voor een protoconch met relatief veel windingen (vooral bij mariene gastropoden); zie ook paucispiraal.
Naaktslakken N A Verschillende niet verwante groepen van slakken die in de loop van de evolutie het uitwendige slakkenhuis zijn kwijt geraakt. Het huis kan geheel verdwenen zijn maar er kan ook nog een inwendig restant aanwezig zijn. Naaktslakken komen zowel bij mariene, als bij land- en zoetwatermollusken voor.
Najade A B grote zoetwatermossel uit het genus Anodonta.
Navel N G Ook umbilicus; -.-.-.-.-.-
Neogastropoda N G meest ontwikkelde orde van de klasse der Gastropoda
Nepionisch schelpje N B groeistadium van een tweekleppige direct na het planktonische stadium; bij onze zoetwatermollusken gebruikt bij Sphaerium, maar daar ten onrechte, aangezien er geen planktonisch stadium is; er wordt hier met name een embryonische schelp mee bedoeld, die bij Sphaerium door de broedzorg tamelijk groot kan worden; vooral bij Musculium kan dit stadium op de adulte schelp duidelijk als een afzonderlijk schelpje herkenbaar blijven.
Nucleus A G de kern waaromheen bijv. een operculum of een protoconch gebouwd is.
Nymph A B kalklijst waaraan het ligament is vastgehecht. Zie ook resilium
Omgang N G Winding
Operculum N G hoorn- of kalkachtig plaatje bij sommige Gastropoda dat gebruikt wordt om de mondopening mee af te sluiten, ermee te graven of als anker. Het operculum zit achter op de voet van de slak vast en kan achter het dier worden meegetrokken als het zich in het huis terug trekt. Soms omgevormd tot een sikkelvormig wapen. Zie ook epiphragma.
Opperhuid N A periostracum
Ostracum N A de harde en dikke laag van de schelp met kristallijne structuur.
Palataal N G het gedeelte van de wand van de mondopening dat zich tegenover de columellaire zijde bevindt.
Paletten N B kalkplaatjes die bij paalwormen (mariene in hard substraat (zoals hout) borende bivalven) aan het uiteinde van de boorgang rondom de siphobuizen liggen.
Pariëtaal N G het gedeelte van de wand van de mondopening tussen de bovenkant van de columellaire zijde en de palatale zijde.
Patella-achtig N G kapvormig
Paucispiraal N G met relatief weinig spiralen, bijv. bij een operculum; ook wel gebruikt om een protoconch mee aan te duiden met relatief weinig windingen; zie ook multispiraal.
Pedaal N A de voet betreffend.
Pelecypoda A A Bivalvia of schelpen
Periferie N G denkbeeldige lijn die langs de buitenomtrek van de windingen van een slakkenhuisje loopt, op de grootst mogelijke afstand van de columella.
Periostracum N G opperhuid; de (buitenste) hoornachtige laag die de kalklaag beschermt tegen aantasting door zuren opgelost in water (regenwater, zee- en zoet water).
Plankton A A -.-.-.-.-.-.-
Polyplacophora A A Keverslakken; Eén van de klassen van de Mollusca. De schelp bestaat uit acht dakpansgewijs geplaatste schelpstukken. Ook Loricata genoemd.
Posterieur N A aan de achterkant; bij tweekleppigen de plaats waar de sipho(s) zich bevinden; zie ook anterieur
Prodissoconch A B eerste (larvale) stadium van een tweekleppige. Vaak nog zichtbaar als een afgescheiden gedeelte op het oudste deel van de buitenzijde van de schelp.
Prosogyr A B enigszins naar voren gerichte umbo van tweekleppigen
Protoconch A G eerste (larvale) stadium van een gastropode. Vaak nog zichtbaar als een afgescheiden gedeelte op het oudste deel van het huis.
Radiaal N A met betrekking tot ornamentatie- of kleurelementen. Evenwijdig aan de groeilijnen bij slakkenhuizen en uitstralend vanaf de top bij de schelpen van tweekleppigen. Zie ook axiaal.
Radula A A rasptong ("gebit"), opgebouwd uit een basaal membraan met daarop rijen tandjes; komt voor bij slakken, keverslakken en inktvissen.
Rasptong N A Radula
Rechtsgewonden N G ook dextrors; aanduiding voor een slakkenhuis waarbij de mondopening zich aan de rechter kant bevindt, als de top naar boven wijst en de mondopening naar de waarnemer gericht is; van boven af naar de top kijkend nemen de windingen met de wijzers van de klok mee in grootte toe; de meeste gewonden slakkehuizen zijn rechtsgewonden, een klein deel is van nature linksgewonden.
Resilium A B groef bij het slot waarin het ligament is vastgehecht. Ook ligamentgroeve genoemd. Zie ook nymph.
Ribben N A regelmatige lijstvormige verdikkingen aan de buitenzijde (soms binnenzijde) van een schelp. Wat sommige auteurs "Radiaal ribjes" noemen, wordt door anderen omschreven als "krachtige groeilijnen"
Riblet E A ribje
Ridge E A ribbel, richel
Rugae A B tot op zekere hoogte diagnostische, relatief grove ribbels op het topgedeelte van de schelp bij Unionidae, meestal verlopend in een richting afwijkend van die van de groeilijnen.
Scalaride A G een misvormd slakkenhuisje, dat als een kurketrekker gewonden is, d.w.z. zonder dat de opeenvolgende windingen elkaar raken, wordt scalaride genoemd (er bestaan soorten, maar niet in Nederland, die van nature scalaride schelpen hebben).
Scaphopoda A A Stoot- of Olifantstanden; Eén van de klassen van de Mollusca. Schelp in de vorm van een olifantstand met aan beide einden een opening.
Sculptuur N A de structuur aan het schelpoppervlak voor zover dat niet helemaal glad is.
Septum A A een apart schot zoals dat in de schelpen van Ferrissia en Crepidula kan voorkomen; ook bij sommige tweekleppigen aan de binnenzijde van de schelp direct onder de umbo (Bijv. Dreissena, Mytilopsis).
Sinistrors N G Linksgewonden
Sinueus N A omgekeerd s-vormig golvend; soms gebruikt voor het verloop van bijv. groeilijnen.
Sinus N B inbochting; zie ook anaalbocht en mantelbocht
Sipho A A buisvormige structuur voor af- en aanvoer van water met de daarin aanwezige zwevende deeltjes, opgeloste stoffen en uitwerpselen (faeces, 'faecal pellets'). Ook wel, onzorgvuldig, "adembuis" genoemd.
Siphokanaal N G gootje aan de onderkant van de mondopening van sommige horens, waardoor de slak de sipho steekt.
Slot N B elastische slotband en de slottanden, waardoor beide kleppen van een tweekleppige bij elkaar gehouden worden. Ook wel slotlijst genoemd.
Slotband N B Ligament
Spierindruksel N B een soort litteken op de plaats waar aan de binnenkant van de schelp bij tweekleppigen de adductor (spier) heeft vastgehecht gezeten.
Spil N G Columella
Spiraal N G -.-.-.-.-.-.-
Statocyst N A Evenwichtsorgaan
Statolyt N A Evenwichtssteentje dat zich in de evenwichtsorganen van inktvissen bevindt
Stoottanden N A Scaphopoda
Striae N G fijne lijntjes
Sutuur N G de aan de buitenkant zichtbare grenslijn tussen twee windingen.
Tand N A uitsteeksel;
verdikking van het callus op de spil of bovenlip van een slakkenhuis.
Verdikking in het slot van een tweekleppige.
Elementen van de radula of rasptong.
Taxodont slot N B Een slot bestaande uit een groot aantal gelijkvormige tanden (bijv. bij Nuculidae, Glycymeridae, Arcidae)
Teleoconch A G het na de protoconch, dus buiten het ei en na het eventuele larvale stadium, gevormde deel van een slakkenhuis.
Top A G Apex
Traliewerksculptuur N A wanneer de structuur aan de buitenzijde van een schelp zowel horizontale als vertikale ribbels vertoont (die elkaar dus kruisen), spreekt men van een traliewerksculptuur.
Tweekleppigen N A Bivalvia of schelpen
Umbilicus A G Navel
Umbo A B De top van een tweekleppige, het eerst gevormde deel van de schelp
Varices A G meervoud van varix.
Varix A G een relatief grove radiaalribbel op een slakkenhuisje, een overblijfsel van een oude mondrand.
Veliger A G planktonisch levende larve die bij sommige soorten in het water levende slakken voorkomt.
Ventraal N A de buikzijde betreffend; Buikzijde bij gastropoden, buitenrand bij bivalven.
Voet N A een deel van het lichaam van een mollusk dat bij slakken tot een kruipzool geworden is en bij de tweekleppigen de vorm heeft van een bijlvormig graaforgaan
Weekdieren N A Mollusca
Winding N G Ook omgang; wanneer een slakkenhuis tijdens de groei éénmaal volledig (360ø) om de as is gedraaid, spreekt men van één winding.

[ naar boven ]


www.spirula.nl   Laatst gewijzigd: 15 april 2010