Soms wordt de betekenis van deze termen in een verklarende lijst
('glossarium') uitgelegd, vaak echter gebeurt dat niet of onvoldoende.
Op deze pagina worden veelgebruikte conchyologische vaktermen verklaard.
De tekst voor deze pagina is in bewerking. Er wordt hard aan
uitbreiding gewerkt.
In de lijst zijn termen opgenomen die in malacologische literatuur voor komt
die in Nederland gebruikt wordt. Dit betekent dat naast Nederlandse ook
Engelse en Duitse termen in de lijst staan. Dit is in de tweede kolom
(T) aangegeven. Daarbij wordt de volgende codering gebruikt:
Sommige termen in deze talen zijn gelijk, andere lijken sterk op elkaar.
In het laatste geval zijn niet alle mogelijkheden genoemd maar wordt van de
Nederlandse variant uitgegaan.
Veel termen zijn slechts bij één klasse in gebruik. Dit staat aangegeven in de derde
kolom (K). Daarbij wordt de volgende codering gebruikt:
De lijst is zeker niet volledig, er is een keuze gemaakt wat een
zekere subjectiviteit met zich mee brengt. Als U duidelijke omissies
constateert dan vernemen wij dat
zeer graag.
| Term
| T
| K
| Verklaring
|
|
Ab...
|
A
|
G
|
weg van de ... (zoals bij abapicaal)
|
|
Abaperturaal
|
N
|
G
|
van de mondopening af
|
|
Abapicaal
|
N
|
G
|
van de top af
|
|
Accessorische schelpstukken
|
N
|
B
|
bijkomende delen; bepaalde bivalvia hebben naast hun twee normale kleppen ook
nog één of meer 'extra' schelpstukken, deze liggen op de
omgeslagen schelpranden (bv Pholadidae). Hypoplax en Mesoplax zijn
accessorische schelpstukken.
|
|
Acicular
|
E
|
G
|
naaldvormig
|
|
Aculeate
|
E
|
G
|
scherp, puntig
|
|
Acuminate
|
E
|
G
|
spits toelopend
|
|
Acute
|
E
|
G
|
met scherpe rand of punt
|
|
adapicaal
|
N
|
G
|
naar de top toe
|
|
Adaperturaal
|
N
|
G
|
in de richting van de mondopening
|
|
Adductor
|
A
|
B
|
sluitspier
|
|
Adembuis
|
N
|
A
|
Sipho
|
|
Adult
|
A
|
A
|
volgroeid; volwassen. Zie ook juveniel
|
|
Advoluut
|
N
|
G
|
met windingen die elkaar maar net even raken, bv bij
Architectonica
|
|
Ad...
|
A
|
G
|
naar de ... toe (zoals bij adapicaal)
|
|
Afgeknot
|
N
|
B
|
stomp
|
|
Alate
|
E
|
G
|
gevleugeld (bijv. de buitenlip bij
Strombus
|
|
Alloiostrophie
|
N
|
G
|
het huisje is niet volgens een regelmatige spiraal opgebouwd zoals bij
Vermetidae
|
|
Anaalbocht
|
N
|
G
|
Ook anaalsinus. Inbochting in de mondrand, samenhangend
met de uitmonding van de einddarm. Bij Emarginula een inkeping in de
rand, bij Bursa een inbochting rechts boven in de mondopening en bij
talrijke andere soorten minder duidelijk op dezelfde plaats; bij Turridae is
de inkeping wat lager in de palatale mondrand gelegen.
|
|
Anaalsinus
|
N
|
G
|
Anaalbocht
|
|
Anterieur
|
N
|
A
|
aan de voorkant; zie ook posterieur
|
|
Apertura
|
A
|
G
|
Mondopening; opening van het slakkenhuis waar het dier door in en uit kan
schuiven.
|
|
Apex
|
A
|
G
|
Top van een slakkenhuis, dwz het oudste deel. Meestal het hoogste punt,
behalve als het huis involuut is.
|
|
Apicaal
|
N
|
G
|
de apex betreffend
|
|
Apophyse
|
N
|
P
|
Een tandvormig uitsteeksel:
- vleugelachtige lippen aan de schelpstukken van een
keverslak
- aan het operculum van sommige slakken (bijv.
Theodoxus)
- onder het septum van bijv. Mytilopsis.
|
|
Appendiculum
|
A
|
B
|
plooitje op de umbo bij schelpen van sommige
Pisidium-soorten.
|
|
Archaeogastropoda
|
N
|
G
|
de oudste en minst ontwikkelde orde van de klasse van de Gastropoda (bijv.
Haliotidae, Patellidae, Trochidae, etc.)
|
|
Area
|
A
|
B
|
meer of minder duidelijk begrensd, meestal glad veldje achter de
umbo op de buitenkant van de schelp van een tweekleppige.
Zie ook lunula.
|
|
As
|
N
|
G
|
Columella
|
|
Axiaal
|
A
|
G
|
min of meer evenwijdig aan de lengte-as van een slakkenhuisje; ook wel
radiaal genoemd.
|
|
Binnenlip
|
N
|
G
|
-.-.-.-.-.-.; Zie ook buitenlip
|
|
Bivalvia (bivalven)
|
N
|
A
|
Tweekleppigen of schelpen. Een klasse van de
Mollusca.
Vaak worden nog de termen 'Lamellibranchia(ta)' en 'Pelecypoda' gebruikt
om deze groep mee aan te duiden.
|
|
Buikpotigen
|
N
|
A
|
Gastropoda of slakken
|
|
Buitenlip
|
N
|
G
|
-.-.-.-.-.-.; Zie ook binnenlip
|
|
Byssus
|
N
|
B
|
een bundel vezels van hoornachtig organisch materiaal, afgescheiden door de
voet van bepaalde tweekleppigen, waarmee de dieren zich
vasthechten aan een substraat of in de grond (bijv. Mytilidae).
|
|
Callus
|
N
|
G
|
Eelt;
het in de conchologische literatuur veel
gebruikte (mannelijke) woord callus is van Latijnse oorsprong, hoewel in
die taal het (onzijdige) callum veel vaker voorkomt, met dezelfde
betekenis (eelt); men zou derhalve verwachten dat in het Nederlands
(analoog aan het Duitse 'der Kallus') gesproken zou worden van 'de
callus', maar het is daarentegen gebruikelijk om te spreken van 'het
callus'.
Een 'callus' komt overigens niet uitsluitend bij gastropoden voor,
maar dezelfde term wordt eveneens gebruikt voor een verschijnsel in het
slot van Pisidium personatum (zie aldaar).
|
|
Carina
|
A
|
A
|
Kiel; duidelijk uitstekende ribbel aan de buitenkant van een schelp
|
|
Cardinale tanden
|
N
|
B
|
onder de top gelegen hoofdtanden in een heterodont slot
van een tweekleppige.
|
|
Cephalopoda
|
N
|
A
|
Koppotigen of inktvissen; de meest ontwikkelde klasse van de mollusken (bijv.
Octopus, Sepia, Argonauta, Loligo, Nautilus). Hiertoe behoren ook de
uitgestorven ammonieten.
|
|
Chondrophoor
|
N
|
B
|
lepelvormig vergroeide tand in het slot van sommige
bivalven (Bijv. Mya).
|
|
Collageen
|
N
|
B
|
hoornachtige stof waar byssusdraden van gesponnen worden.
|
|
Columella
|
A
|
G
|
Spil; de massieve of holle centrale pijler om de denkbeeldige as van een
slakkenhuis, die het centrum van het huis vormt, waar de
windingen omheen gewonden zijn.
|
|
Columellair kanaal
|
N
|
G
|
het kanaal dat ontstaat wanneer de windingen van een
slakkenhuis op de plek van de columella niet volledig
tegen elkaar aan liggen; zie ook navel.
|
|
Columellaire mondrand
|
N
|
G
|
het gedeelte van de mondrand dat tegen de
columella aanligt
|
|
Concaaf
|
N
|
A
|
bol
|
|
Concentrisch
|
N
|
A
|
aanduiding voor sculptuur- of kleurpatronen bij
tweekleppigen, die evenwijdig aan de groeilijnen
verlopen; ook bij het operculum gebruikt om het
patroon aan te duiden waarbij de groeilijnen parallel aan elkaar en evenwijdig
aan de rand van het operculum verlopen.
|
|
Conchine
|
A
|
A
|
Conchioline
|
|
Conchioline
|
A
|
A
|
Ook conchine; een organische stof, verwant met chitine dat het hoofdbestanddeel
van het skelet van insecten en schaaldieren vormt. Het
periostracum en het ligament
bestaan uit deze stof.
|
|
Conchologie
|
N
|
A
|
Studie van de mollusken, vooral van de schelp
Zie ook Malacologie
|
|
Conchyliologie
|
F
|
A
|
Verouderde term voor conchologie
|
|
Continu
|
A
|
G
|
aanduiding voor de mondrand van een slakkenhuis als die
ononderbroken doorloopt.
|
|
Convex
|
A
|
A
|
bol
|
|
Cuticula
|
A
|
A
|
Periostracum
|
|
Cyrtoconoid
|
A
|
G
|
afgerond kegelvormige schelpvorm, waarbij de raaklijn aan de
windingen convex is.
|
|
Dextrors
|
A
|
G
|
rechtsgewonden
|
|
Discontinu
|
N
|
G
|
onderbroken, bijv. de mondrand bij veel slakkenhuisjes
|
|
Dorsaal
|
N
|
A
|
aan de rugzijde
|
|
Doublet
|
N
|
B
|
de twee schelpkleppen van een tweekleppige die met
een slot en een slotband met
elkaar verbonden zijn.
|
|
Eelt
|
N
|
A
|
Callus
|
|
Epidermis
|
A
|
A
|
Opperhuid of periostracum
|
|
Epiphragma
|
A
|
G
|
een schijf van verhard, min of meer verkalkt slijm, waarmee de
mondopening van een slakkenhuisje wordt afgesloten als
de slak geruime tijd inactief is (bijv. tijdens de winterslaap of gedurende
een langdurige droogteperiode); alleen bij soorten zonder
operculum.
|
|
Gapen
|
N
|
B
|
het niet geheel op elkaar sluiten van twee schelphelften
|
|
Gastropoda (gastropoden)
|
N
|
A
|
Buikpotigen of Slakken. Een klasse van de Mollusca.
Meestal gekenmerkt door een spiraalvormig opgewonden schelp. De dieren
bewegen zich voort mbv een gespierde voet.
|
|
Glochidium
|
N
|
B
|
de karakteristieke, planktonische larven van de grote zoetwatermossels
(najaden zoals Anodonta, Unio, etc.). Levende glochidiums
zijn voorzien van haken die dienen om zich voor een bepaalde periode aan de
huid van vissen te kunnen vasthechten waardoor zij in staat zijn zich over
grotere afstand te kunnen (laten) verplaatsen.
De schelpjes hebben een driehoekige vorm en zijn als zodanig in bodemmonsters
terug te vinden. Op een niet gecorrodeerde umbo van een
najade is het glochidium soms nog te zien.
|
|
Groeilijnen
|
N
|
A
|
lijnen op het (buiten)oppervlak van een schelp die op korte rustperioden in de
groei wijzen, in feite dus sporen van oude mondranden.
De term wordt in de praktijk vaak veel ruimer gebruikt voor niet zeer krachtige
radiale sculptuur.
|
|
Halfgeknot
|
N
|
B
|
als de ene kant meer is afgerond dan de andere
|
|
Heterodont slot
|
N
|
B
|
Een slottype met verschillend gevormde tanden.
|
|
Hypoplax
|
N
|
B
|
Eén van de accessorische schelpstukken.
|
|
Hypostracum
|
N
|
A
|
de binnenste laag van de schelp. De uit kalk bestaande schelp is opgebouwd uit
verschillende lagen met een eigen structuur. De binnenste laag, het
hypostracum, bestaat vaak uit parelmoer.
|
|
Inversodontie
|
N
|
B
|
slotomkering; het verschijnsel dat bij een tweekleppige één of
meer slottanden van de schelp zich op een ongebruikelijke klep bevinden
(bijv. een linker tand bij uitzondering op de rechter
klep).
|
|
Involuut
|
N
|
G
|
-.-.-.-.-.-.-
|
|
Juveniel
|
N
|
A
|
Jong, onvolwassen. Zie ook adult.
|
|
Keverslakken
|
N
|
A
|
Polyplacophora
|
|
Kiel
|
N
|
G
|
carina
|
|
Klep
|
N
|
B
|
Eén van de twee schelphelften van een
tweekleppige
|
|
Lamellibranchia(ta)
|
N
|
A
|
Bivalvia of schelpen
|
|
Lateraal
|
N
|
B
|
zijdelings; bij bivalven: (meestal) lijstvormige
tanden, aan weerszijden van de umbo
gelegen.
|
|
Ligament
|
N
|
B
|
slotband; een elastische band uit conchioline
opgebouwd, die de twee kleppen van een schelp bij elkaar houdt en ervoor zorgt
dat de kleppen in rusttoestand geopend blijven. Hij kan zich zowel inwendig
(aan de binnenkant, dus van buitenaf niet zichtbaar) als uitwendig (aan de
buitenkant, dus wel zichtbaar) bevinden.
|
|
Ligamentgroeve
|
N
|
B
|
Resilium
|
|
Linksgewonden
|
N
|
G
|
Ook sinistrors; aanduiding voor een slakkenhuis dat het spiegelbeeld is van
rechtsgewonden; sommige soorten hebben van nature
een linksgewonden schelp; bij van nature rechtsgewonden soorten
kunnen als zeldzame afwijkingen linksgewonden exemplaren voorkomen.
Het is niet altijd duidelijk zichtbaar of een soort van nature linksgewonden
is. Dit blijkt dan uit de anatomie van het dier. De schelp is dan schijnbaar
rechtsgewonden zoals bijv. bij de Planorbidae.
|
|
Lip
|
N
|
G
|
Mondlip
|
|
Lirae
|
E
|
G
|
fijne verhoogde spiraallijntjes.
|
|
Loricata
|
A
|
A
|
Polyplacophora
|
|
Lunula
|
N
|
B
|
afgescheiden glad veldje vóór de umbo op de
buitenkant van de schelp van een tweekleppige; zie ook area.
|
|
Malacologie
|
A
|
N
|
Studie van de mollusken. In engere zin de studie (oa anatomie) van de weke
delen. In bredere zin alles wat aan mollusken bestudeerd kan worden. In deze
zin omvat 'malacologie' dus meer dan 'conchologie'.
|
|
Mantel
|
N
|
A
|
lichaamswand van een mollusk, die onder meer zorgt voor de vorming van de
schelp.
|
|
Mantelbocht
|
N
|
B
|
aanhechtingsplaats van de siphobuizen; bij een lege
tweekleppige aan de binnenzijde te zien als een inbochting in de
mantellijn. Ook wel sinus genoemd.
|
|
Mantellijn
|
N
|
B
|
plaats waar de mantel aan de schelp vast zit; bij een
lege tweekleppige aan de binnenzijde te zien als een lijntje tussen de twee
spierindruksels
|
|
Mesogastropoda
|
N
|
G
|
middelste orde in de klasse van de Gastropoda
|
|
Mesoplax
|
N
|
B
|
Eén van de accessorische schelpstukken.
|
|
Mollusca (Mollusken)
|
N
|
A
|
Weekdieren. Een stam van het dierenrijk waartoe oa de slakken, schelpen,
inktvissen, keverslakken, stoottanden en enkele kleinere groepen behoren.
|
|
Mondlip
|
N
|
G
|
iets verdikte (meestal), opvallend gekleurde, omgeslagen, of anderszins
gemarkeerde zoom langs de mondopening
|
|
Mondopening
|
N
|
G
|
Apertura
|
|
Mondrand
|
N
|
G
|
de grenslijn (vooraan) van de mondopening. Soms
gelijkgesteld aan de mondlip hoewel dat strikt genomen
onjuist is.
|
|
Monstruositeit
|
N
|
A
|
afwijking van de normale natuurlijke vorm
|
|
Multispiraal
|
N
|
G
|
met relatief veel spiralen; bijv. een
operculum betreffend; ook vaak gebruikt voor een
protoconch met relatief veel
windingen (vooral bij mariene gastropoden); zie ook
paucispiraal.
|
|
Naaktslakken
|
N
|
A
|
Verschillende niet verwante groepen van slakken die in de loop van de
evolutie het uitwendige slakkenhuis zijn kwijt geraakt. Het huis kan geheel
verdwenen zijn maar er kan ook nog een inwendig restant aanwezig zijn.
Naaktslakken komen zowel bij mariene, als bij land- en zoetwatermollusken voor.
|
|
Najade
|
A
|
B
|
grote zoetwatermossel uit het genus Anodonta.
|
|
Navel
|
N
|
G
|
Ook umbilicus; -.-.-.-.-.-
|
|
Neogastropoda
|
N
|
G
|
meest ontwikkelde orde van de klasse der Gastropoda
|
|
Nepionisch schelpje
|
N
|
B
|
groeistadium van een tweekleppige direct na het
planktonische stadium; bij onze zoetwatermollusken
gebruikt bij Sphaerium, maar daar ten onrechte, aangezien er geen
planktonisch stadium is; er wordt hier met name een embryonische schelp mee
bedoeld, die bij Sphaerium door de broedzorg tamelijk groot kan
worden; vooral bij Musculium kan dit stadium op de
adulte schelp duidelijk als een afzonderlijk schelpje
herkenbaar blijven.
|
|
Nucleus
|
A
|
G
|
de kern waaromheen bijv. een operculum of een
protoconch gebouwd is.
|
|
Nymph
|
A
|
B
|
kalklijst waaraan het ligament is vastgehecht. Zie ook
resilium
|
|
Omgang
|
N
|
G
|
Winding
|
|
Operculum
|
N
|
G
|
hoorn- of kalkachtig plaatje bij sommige Gastropoda dat gebruikt wordt om de
mondopening mee af te sluiten, ermee te graven of als
anker. Het operculum zit achter op de voet van de slak
vast en kan achter het dier worden meegetrokken als het zich in het huis terug
trekt. Soms omgevormd tot een sikkelvormig wapen. Zie ook
epiphragma.
|
|
Opperhuid
|
N
|
A
|
periostracum
|
|
Ostracum
|
N
|
A
|
de harde en dikke laag van de schelp met kristallijne structuur.
|
|
Palataal
|
N
|
G
|
het gedeelte van de wand van de mondopening dat zich
tegenover de columellaire zijde bevindt.
|
|
Paletten
|
N
|
B
|
kalkplaatjes die bij paalwormen (mariene in hard substraat (zoals hout)
borende bivalven) aan het uiteinde van de boorgang rondom de
siphobuizen liggen.
|
|
Pariëtaal
|
N
|
G
|
het gedeelte van de wand van de mondopening tussen de
bovenkant van de columellaire zijde en de
palatale zijde.
|
|
Patella-achtig
|
N
|
G
|
kapvormig
|
|
Paucispiraal
|
N
|
G
|
met relatief weinig spiralen, bijv. bij een
operculum; ook wel gebruikt om een
protoconch mee aan te duiden met relatief weinig
windingen; zie ook
multispiraal.
|
|
Pedaal
|
N
|
A
|
de voet betreffend.
|
|
Pelecypoda
|
A
|
A
|
Bivalvia of schelpen
|
|
Periferie
|
N
|
G
|
denkbeeldige lijn die langs de buitenomtrek van de
windingen van een slakkenhuisje loopt, op de grootst
mogelijke afstand van de columella.
|
|
Periostracum
|
N
|
G
|
opperhuid; de (buitenste) hoornachtige laag die de kalklaag beschermt tegen
aantasting door zuren opgelost in water (regenwater, zee- en zoet water).
|
|
Plankton
|
A
|
A
|
-.-.-.-.-.-.-
|
|
Polyplacophora
|
A
|
A
|
Keverslakken; Eén van de klassen van de
Mollusca. De schelp bestaat uit acht dakpansgewijs
geplaatste schelpstukken. Ook Loricata genoemd.
|
|
Posterieur
|
N
|
A
|
aan de achterkant; bij tweekleppigen de plaats waar de
sipho(s) zich bevinden; zie ook
anterieur
|
|
Prodissoconch
|
A
|
B
|
eerste (larvale) stadium van een tweekleppige. Vaak nog zichtbaar als een
afgescheiden gedeelte op het oudste deel van de buitenzijde van de schelp.
|
|
Prosogyr
|
A
|
B
|
enigszins naar voren gerichte umbo van tweekleppigen
|
|
Protoconch
|
A
|
G
|
eerste (larvale) stadium van een gastropode. Vaak nog zichtbaar als een
afgescheiden gedeelte op het oudste deel van het huis.
|
|
Radiaal
|
N
|
A
|
met betrekking tot ornamentatie- of kleurelementen. Evenwijdig aan de
groeilijnen bij slakkenhuizen en uitstralend vanaf de
top bij de schelpen van tweekleppigen. Zie ook axiaal.
|
|
Radula
|
A
|
A
|
rasptong ("gebit"), opgebouwd uit een basaal membraan met daarop rijen
tandjes; komt voor bij slakken, keverslakken en inktvissen.
|
|
Rasptong
|
N
|
A
|
Radula
|
|
Rechtsgewonden
|
N
|
G
|
ook dextrors; aanduiding voor een slakkenhuis waarbij de
mondopening zich aan de rechter kant bevindt, als de
top naar boven wijst en de mondopening naar de waarnemer
gericht is; van boven af naar de top kijkend nemen de
windingen met de wijzers van de klok mee in grootte toe;
de meeste gewonden slakkehuizen zijn rechtsgewonden, een klein deel is van
nature linksgewonden.
|
|
Resilium
|
A
|
B
|
groef bij het slot waarin het
ligament is vastgehecht. Ook ligamentgroeve genoemd.
Zie ook nymph.
|
|
Ribben
|
N
|
A
|
regelmatige lijstvormige verdikkingen aan de buitenzijde (soms binnenzijde)
van een schelp. Wat sommige auteurs "Radiaal ribjes"
noemen, wordt door anderen omschreven als "krachtige
groeilijnen"
|
|
Riblet
|
E
|
A
|
ribje
|
|
Ridge
|
E
|
A
|
ribbel, richel
|
|
Rugae
|
A
|
B
|
tot op zekere hoogte diagnostische, relatief grove ribbels op het
topgedeelte van de schelp bij Unionidae, meestal verlopend in een richting
afwijkend van die van de groeilijnen.
|
|
Scalaride
|
A
|
G
|
een misvormd slakkenhuisje, dat als een kurketrekker gewonden is, d.w.z. zonder
dat de opeenvolgende windingen elkaar raken, wordt
scalaride genoemd (er bestaan soorten, maar niet in Nederland, die van nature
scalaride schelpen hebben).
|
|
Scaphopoda
|
A
|
A
|
Stoot- of Olifantstanden; Eén van de klassen van de
Mollusca. Schelp in de vorm van een olifantstand met
aan beide einden een opening.
|
|
Sculptuur
|
N
|
A
|
de structuur aan het schelpoppervlak voor zover dat niet helemaal glad is.
|
|
Septum
|
A
|
A
|
een apart schot zoals dat in de schelpen van Ferrissia en
Crepidula kan voorkomen; ook bij sommige tweekleppigen aan de
binnenzijde van de schelp direct onder de umbo (Bijv.
Dreissena, Mytilopsis).
|
|
Sinistrors
|
N
|
G
|
Linksgewonden
|
|
Sinueus
|
N
|
A
|
omgekeerd s-vormig golvend; soms gebruikt voor het verloop van bijv.
groeilijnen.
|
|
Sinus
|
N
|
B
|
inbochting; zie ook anaalbocht en
mantelbocht
|
|
Sipho
|
A
|
A
|
buisvormige structuur voor af- en aanvoer van water met de daarin aanwezige
zwevende deeltjes, opgeloste stoffen en uitwerpselen (faeces,
'faecal pellets'). Ook wel, onzorgvuldig, "adembuis" genoemd.
|
|
Siphokanaal
|
N
|
G
|
gootje aan de onderkant van de mondopening van sommige
horens, waardoor de slak de sipho steekt.
|
|
Slot
|
N
|
B
|
elastische slotband en de
slottanden, waardoor beide kleppen van
een tweekleppige bij elkaar gehouden
worden. Ook wel slotlijst genoemd.
|
|
Slotband
|
N
|
B
|
Ligament
|
|
Spierindruksel
|
N
|
B
|
een soort litteken op de plaats waar aan de binnenkant van de schelp bij
tweekleppigen de adductor (spier) heeft vastgehecht gezeten.
|
|
Spil
|
N
|
G
|
Columella
|
|
Spiraal
|
N
|
G
|
-.-.-.-.-.-.-
|
|
Statocyst
|
N
|
A
|
Evenwichtsorgaan
|
|
Statolyt
|
N
|
A
|
Evenwichtssteentje dat zich in de evenwichtsorganen van inktvissen bevindt
|
|
Stoottanden
|
N
|
A
|
Scaphopoda
|
|
Striae
|
N
|
G
|
fijne lijntjes
|
|
Sutuur
|
N
|
G
|
de aan de buitenkant zichtbare grenslijn tussen twee
windingen.
|
|
Tand
|
N
|
A
|
uitsteeksel;
verdikking van het callus op de
spil of bovenlip van een slakkenhuis.
Verdikking in het slot van een tweekleppige.
Elementen van de radula of rasptong.
|
|
Taxodont slot
|
N
|
B
|
Een slot bestaande uit een groot aantal gelijkvormige
tanden (bijv. bij Nuculidae, Glycymeridae, Arcidae)
|
|
Teleoconch
|
A
|
G
|
het na de protoconch, dus buiten het ei en na het
eventuele larvale stadium, gevormde deel van een slakkenhuis.
|
|
Top
|
A
|
G
|
Apex
|
|
Traliewerksculptuur
|
N
|
A
|
wanneer de structuur aan de buitenzijde van een schelp zowel horizontale als
vertikale ribbels vertoont (die elkaar dus kruisen), spreekt men van een
traliewerksculptuur.
|
|
Tweekleppigen
|
N
|
A
|
Bivalvia of schelpen
|
|
Umbilicus
|
A
|
G
|
Navel
|
|
Umbo
|
A
|
B
|
De top van een tweekleppige, het eerst gevormde deel
van de schelp
|
|
Varices
|
A
|
G
|
meervoud van varix.
|
|
Varix
|
A
|
G
|
een relatief grove radiaalribbel op een slakkenhuisje,
een overblijfsel van een oude mondrand.
|
|
Veliger
|
A
|
G
|
planktonisch levende larve die bij sommige soorten in
het water levende slakken voorkomt.
|
|
Ventraal
|
N
|
A
|
de buikzijde betreffend; Buikzijde bij gastropoden, buitenrand bij bivalven.
|
|
Voet
|
N
|
A
|
een deel van het lichaam van een mollusk dat bij slakken tot een kruipzool
geworden is en bij de tweekleppigen de vorm heeft van een bijlvormig
graaforgaan
|
|
Weekdieren
|
N
|
A
|
Mollusca
|
|
Winding
|
N
|
G
|
Ook omgang; wanneer een slakkenhuis tijdens de groei éénmaal volledig
(360ø) om de as is gedraaid, spreekt men van
één winding.
|