In malacologische literatuur worden veel (palaeo)ecologische en
aanverwante termen gebruikt. Op deze pagina wordt gepoogd de meest
voorkomende termen te verklaren. De lijst is zeker niet volledig; er
is een keuze gemaakt wat een zekere subjectiviteit met zich mee brengt.
|
Term
|
Verklaring
|
|
|
|
|
Aangevoerd
|
zie adventief,
allochtoon.
|
|
Aanspoelsel
|
.... Zie ook gruis.
|
|
Abiotisch
|
Niet de levende natuur betreffend (fysisch, chemisch, etc.).
|
|
Abyssaal
|
De diepere diepzee betreffend, dieper dan 1000 m.
|
|
Acidofiel
|
Een zuur milieu verkiezend.
|
|
Acrocrene
|
Bron die aan de voet van een heuvel ontspringt (puntbron). Zie ook:
helocrene,
limnocrene, reocrene.
|
|
Adventief
|
Van elders aangevoerd.
|
|
Aeolisch
|
Een sediment door de wind afgezet,
bv een stuifzand. Zie dekzand,
loess.
|
|
Aeroob
|
Zuurstofhoudend.
|
|
Afzetting
|
Bezinksel van vaste stof (zand, leem, silt, klei, etc.).
Synoniem: sediment.
|
|
Allochtoon
|
Ter plaatse niet oorspronkelijk voorkomend. Aangevoerd door wat
voor oorzaak dan ook (op natuurlijke dan wel
antropogene wijze). VS
autochtoon.
|
|
Alnetum
|
De plantengemeenschap van het Elsen(broek)bos.
|
|
Alpien
|
In het gebergte (de Alpen bijv.) voorkomend. Vaak wordt hiermee het
hooggebergte bedoeld, in beperkte mate zelfs alleen dat deel van het gebergte
dat boven de boomgrens ligt.
|
|
Amplitude
|
Getijden-: .......
|
|
Anaeroob
|
Zuurstofloos. VS aeroob.
|
|
Antropochoor
|
Organismen die door direct ingrijpen van de mens verspreid zijn naar
plaatsen waar zij van oorsprong niet thuishoren. VS
synantroop. Het is overigens niet altijd
volkomen duidelijk of een soort als synantroop danwel antropochoor
beschouwd moet worden. Zie ook antropogeen.
Hier vindt U een lijst van nu in Nederland
levende molluskensoorten die hier van oorsprong niet thuis horen.
|
|
Antropogeen
|
Onder invloed van de mens; in algemene zin. Zie
synantroop en
antropochoor. Hier vindt U een
lijst van nu in Nederland levende molluskensoorten
die hier van oorsprong niet thuis horen.
|
|
Aquatisch
|
Het water betreffend (aqua=water). VS
terrestrisch.
|
|
Aragoniet
|
Eén van de kristallijne vormen waarin kalk (bijv. van een
schelp) kan voorkomen. Zie ook calciet.
|
|
Arctisch
|
Tot de Noordpoolstreken behorend; (tegenwoordig) ten Noorden van de poolcirkel
levend; (een arctisch klimaat; arctische omstandigheden; een arctische soort).
Ook een mariene faunaprovincie. De arctische
faunaprovincie ligt ten Noorden van de boreale
faunaprovincie.
|
|
Areaal
|
Gebied.
|
|
Associatie
|
Een ecologisch bij elkaar horende groep
van soorten. In de palaeontologie:
een regelmatig bij elkaar aangetroffen aantal soorten.
|
|
Atlantisch klimaat
|
Een klimaattype met hoge jaarlijkse neerslag,
niet al te warme zomers en milde winters. VS
continentaal klimaat.
|
|
Autochtoon
|
Oorspronkelijk voorkomend. VS allochtoon.
|
|
|
|
|
Baltisch
|
De Oostzee of het Oostzeegebied betreffend.
|
|
Bathyaal
|
Een dieptezone in de zee, tussen het plat en de
diepere diepzee, dus tussen 200-1000 m.
|
|
Bavelien
|
Geologisch tijdvak. Een Vroeg Pleistocene periode bestaande
uit twee glacialen en twee
interglacialen.
|
|
Bent(h)isch
|
(ook: bent(h)onisch), aan de bodem gebonden; op/in de bodem levend (van een
zoet of zout water).
|
|
Bent(h)onisch
|
Zie bent(h)isch.
|
|
Bent(h)os
|
Organismen die op of in de bodem van een zoet of zout water leven.
|
|
Biodiversiteit
|
De totale biologische rijkdom
(diversiteit) van een bepaald gebied,
hetzij rijkdom aan soorten, genen of ecosystemen.
|
|
Biogeografie
|
........
|
|
Biomassa
|
De totale hoeveelheid levend organisch materiaal (gewicht).
|
|
Biotisch
|
De levende natuur betreffend. VS abiotisch.
|
|
Biotoop
|
Plaats waar een dier of plant geheel in zijn omgeving ingepast is (natuurlijk
leefmilieu). Soms niet onderscheiden van habitat.
Soms wordt er een bepaald milieutype mee bedoeld, zoals bijv. een bos- of duingebied.
|
|
Boreaal
|
Noordelijk, subarctisch. Wordt ook gebruikt in de betekenis van 'koel'.
Gebruikt in de biogeografie, zowel bij land (zoetwater)
als zee-organismen. Bv. mariene faunaprovincie
tussen de arctische provincie in het Noorden en de
keltische provincie in het Zuiden. Tevens
een stratigrafische term: Geologisch tijdvak. De tweede periode in het
Holoceen (van ca 9000 tot 7300 jaar geleden).
|
|
Boreo-Alpien
|
Discontinu verspreidingsgebied waarbij een deel in
Noord Europa ligt (boreale klimaatzone) en een ander deel
in de hogere delen van de centraal Europese gebergten
(Alpiene zone). De overeenkomende eigenschappen
van beide gebieden moeten in het klimaat gezocht worden, in dit geval in
de lage temperatuur. Verschillende soorten landslakken hebben een boreo-alpiene
verspreiding. Bijv. Columella columella.
|
|
Brabantse Leem
|
Een afzetting uit het Midden- en Laat Pleistoceen in de provincie Brabant,
grotendeels aeolisch en voornamelijk afgezet onder
koude en natte omstandigheden. De eenheid bevat (sub)arctische land- en
zoetwater mollusken associaties.
|
|
Brachyhalien
|
Verouderde palaeoecologische term om een ongedefinieerd zoutgehaltebereik
aan te geven wat duidt op ondiep mariene, kustnabije omstandigheden.
|
|
Brak water
|
Vage term om water aan te duiden met een zoutgehalte
tussen zoet en zeewater. Doorgaans worden hier zoutgehalten mee bedoeld die aan
te duiden zijn als poly-, meso- en
oligohalien. Het blijkt dat veel als brak water aangeduide
wateren zeer sterk wisselende zoutgehalten kunnen vertonen, van vrijwel zoet
tot erg zout (hyperhalien). Dit heeft te maken met het
vaak geïsoleerde karakter van dergelijke wateren die daardoor sterk door
neerslag of verdamping beïnvloed kunnen worden. Zie ook
zoutgehalte.
|
|
Broekbos
|
Moerasbos. Zie: bronbos,
vloedbos
|
|
Bronbos
|
Moerasbos met kenmerkende vegetatie, gebonden aan uittredend grondwater.
Zie ook: broekbos, vloedbos.
|
|
|
|
|
Cainozoicum
|
Zie Kenozoicum.
|
|
Calciet
|
Eén van de kristallijne vormen waarin kalk (bijv. van een schelp) kan
voorkomen. De kristalstructuur van calciet is stabiel. Schelpen van calciet
zijn minder gevoelig voor chemische verwering dan schelpen van
aragoniet en blijven dus ook langer bewaard.
|
|
Calcicool
|
Zie calciofiel.
|
|
Calciofiel
|
Aanduiding voor soorten die kalkrijke habitats
bewonen, respectievelijk daar de voorkeur aan geven.
|
|
Caricetum
|
Plantengemeenschap waarin zeggen (Carex-soorten) een hoofdrol
spelen.
|
|
Carnivoor
|
Vlees-eter. VS herbivoor. Zie ook
predator.
|
|
Catholic
|
Engelse palaeoecologische term, gebruikt om een groep landmollusken met
weinig specifieke milieu eisen mee aan te duiden. Zie ook
mesofiel.
|
|
Chloriniteit
|
Het chloride gehalte. Zie zoutgehalte.
|
|
Circumpolair
|
Om Noord- of Zuidpool heen liggend.
|
|
Cohort
|
Een groep die een bepaalde demografische
karakteristiek deelt, gewoonlijk met dezelfde geboorteperiode.
|
|
Commensaal
|
Soorten levend op/in of bij andere organismen zonder de gastsoort direct te
schaden.
|
|
Continentaal
|
In continentaal klimaat: een klimaattype met lage jaarlijkse neerslag,
warme zomers en koude winters. VS atlantisch klimaat.
Zie ook continentaal plat.
|
|
Continu
|
Aaneengesloten. Een continu verspreidingsgebied. VS
discontinu. OOK:
conchologische term.
|
|
Correlatie
|
Wederzijdse betrekking of onderling verband; in de geologie: het in ouderdom
gelijkstellen van lagen, fauna's, etc.
|
|
Corrosie
|
Verwering door chemische aantasting (oplossing van de schelpkalk in een zure
omgeving)
|
|
Cromerien
|
Geologisch tijdvak. Een Pleistocene periode bestaande uit
diverse glacialen en
interglacialen.
NB: het internationale gebruik is verwarrend. In Engeland wordt hier
één interglaciaal mee bedoeld, ook wel aangeduid met 'Cromerian
s.s.' of 'Type Cromerian'. Het Nederlandse gebruik is dan 'Cromerien s.l.'
of 'Cromerien Complex'.
|
|
|
|
|
Debiet
|
Het aantal kubieke meters water dat op een bepaald punt in een rivier per
seconde passeert.
|
|
Dekzand
|
Vooral aeolische afzetting daterend uit het
Weichselien. Laat Pleistocene
stuifzandafzettingen.
|
|
Demografie
|
........
|
|
Detritus
|
Dood organisch materiaal in water, zowel in opgeloste als in deeltjesvorm.
|
|
Diagenese
|
Veranderingen die in de loop van de (geologische) tijd in het
sediment optreden, zonder inwerking van
buitenaf (herkristallisatie, verharding door verlies van water,
aaneenkitten, etc.).
|
|
Diatomeeën
|
Kiezelwieren; Diatomeeën vormen een belangrijke voedselbron
voor mollusken.
|
|
Diatomiet
|
Als Diatomeeën veel voorkomen en bewaard blijven en daarnaast weinig
ander materiaal bezinkt dan kan een sediment ontstaan wat voor het overgrote
deel uit de skeletten van deze algen bestaat, een zgn diatomiet.
|
|
Discontinu
|
Onderbroken, bv. in: niet aaneengesloten verspreidingsgebied, bv.
boreo-alpien. VS
continu. OOK: een
conchologische term.
|
|
Disjunct
|
Zie discontinu.
|
|
Diversiteit
|
....
|
|
Dye
|
....
|
|
Dystroof
|
arm aan voedingszouten, rijk aan zuurstof en aan humus.
|
|
|
|
|
Eb(tij)
|
Ook wel afnemend water of afnemend getij. Dat deel van de getijden
cyclus waarin het zeewater van de hoogste stand (= hoog water)
naar de laagste stand (= laag water) zakt.
VS vloed. Zie ook springtij
|
|
Eburonien
|
Geologisch tijdvak. Een glaciaal uit het Vroeg Pleistoceen.
|
|
Ecologie
|
de wetenschap waarbij het gaat om de relaties van een organisme met
zijn omgeving. Ook wel als 'oecologie' [Spreek uit: eukologie] gespeld.
|
|
Ecosysteem
|
Een in de natuur voorkomend systeem van levende organismen en vaak zeer
complexe relaties, zowel tussen de organismen onderling als met de
abiotische elementen in het geheel.
Het geheel van de planten- en diergemeenschappen in een territorium,
beschouwd in hun wisselwerking met de milieufactoren.
|
|
Eemien
|
Geologisch tijdvak. Een interglaciaal in het Laat Pleistoceen.
|
|
Elsterien
|
Geologisch tijdvak. Een glaciaal in het Midden Pleistoceen.
|
|
Emers
|
VS submers. Boven water uitkomend. Droogvallend.
Bv waterplanten die deels onder en deels boven water leven hebben een
submers en een emers gedeelte. De Brakwaterkokkel leeft bij voorkeur
submers, terwijl de gewone Kokkel een deel van de dag op het
wad bij eb tegen droogvallen
bestand is, dwz emerse omstandigheden kan verdragen.
|
|
Endemisch
|
Met een beperkte verspreiding; de term blijft vaag als er niet bij wordt
vermeld voor welk gebied bijv. de betreffende soort endemisch is.
|
|
Epifauna
|
Soorten die op het substraat leven.
VS infauna.
|
|
Epifyt
|
Op vegetatie levende soorten; meestal betrokken op in water levende soorten;
Een organisme dat op planten groeit.
|
|
Epilimnion
|
Warme bovenlaag in een gestratificeerd
meer. Zie ook spronglaag.
|
|
Erosie
|
Het verschijnsel, dat een gedeelte van de aardkorst door de werking van water,
wind of andere natuurkrachten weggeslepen wordt.
|
|
Estuarien
|
De uitmonding van een rivier in zee (=estuarium) betreffend (een estuarien milieu, een
estuariene soort, een -e afzetting, -e omstandigheden).
|
|
Euhalien
|
Zeewater met chloriniteit boven ca 16
betreffend (een euhaliene soort, een
euhalien milieu, etc.). Zie ook zoutgehalte.
|
|
Eulittoraal
|
....
|
|
Euryhalien
|
Wisselend zoutgehalte (verdragend, betreffend).
|
|
Eurytherm
|
Aangepast aan een groot temperatuurbereik. VS
stenotherm.
|
|
Eurytoop
|
In verschillend milieu groeiend/voorkomend.
|
|
Eutrafent
|
Een voedselrijk milieu verkiezend.
|
|
Eutrofiëring
|
Het (natuurlijke) proces in water waarbij de factoren die groei stimuleren
(nutrienten zoals fosfor en stikstof, licht,
temperatuur, enz.) optimaal worden. Door menselijke activiteit
(water- en bodemverontreiniging) treedt dit verschijnsel tegenwoordig
veel op. Dit heeft vaak rampzalige gevolgen voor de oorspronkelijke
flora en fauna, die aangepast was aan een andere voedselsituatie en
verdrongen kan worden door organismen die aanvankelijk ter plekke
niet voorkwamen.
|
|
Eutroof
|
Voedselrijk, zie trofiesysteem.
|
|
Expositie
|
Blootstelling.
|
|
|
|
|
Facies
|
De som der palaeontologische en
lithologische eigenschappen van een aardlaag
waaruit het milieu van afzetting kan
worden afgeleid.
|
|
Filtreerder
|
Dier dat zijn voedsel door filtreren van het
water, tussen trilharen of borstels door, verkrijgt. (In Engels:
'filter feeder').
|
|
Fluviatiel
|
Rivieren betreffend; in rivieren voorkomend (van een soort), door rivieren
afgezet (een aardlaag), door rivieren beïnvloed (de omgeving).
|
|
Formatie
|
Lithostratigrafische term bedoeld
om een lagenpakket mee aan te duiden met gemeenschappelijke kenmerken.
|
|
Fossiel
|
(Enige tijd) begraven geweest zijnde resten of sporen van
organismen. De minimale tijdsduur van begraving is niet duidelijk
gedefinieerd. De resten zijn eventueel veranderd door
diagenetische
processen maar dit is niet noodzakelijk. Zie ook: subfossiel,
recent, subrecent.
|
|
|
|
|
Gecorrodeerd
|
Door chemische invloeden (zuur water) aangetaste/geëtste
deel van de schelp (de oudste windingen bijv.). Zie ook
corrosie.
Corrosie kan al tijdens het leven van het dier optreden, maar
kan ook bij het fossilisatieproces plaatsvinden door
uitloging onder invloed van bodemprocessen.
|
|
Getij(de)
|
....
(afkortingen, amplitude; springtij; eb; vloed; laagwater;
hoogwater, etc.)
|
|
Glaciaal
|
Als zelfstandig naamwoord: een relatief koude periode van relatief
lange duur in het Kwartair; een ijstijd.
Als bijvoeglijk naamwoord: betrekking hebbend op poolstreken en/of
gebieden met ijs, of op de ijstijd. Zie ook:
interglaciaal,
interstadiaal, stadiaal,
periglaciaal.
|
|
Gradiënt
|
Geleidelijke overgang. VS discontinuiteit.
|
|
Gruis
|
Door golf- en/of windwerking geconcentreerde resten van schelpen. Vaak
aan de oever van een meer, rivier of op het strand.
|
|
Gyttja
|
Een afzetting gevormd in stilstaand zoet water grotendeels bestaande
uit fragmenten van organismen. [Uit het Zweeds, spreek uit: juutja].
|
|
|
|
|
Habitat
|
Woongebied van een organisme of
levensgemeenschap, in ruime zin.
Zie ook biotoop.
|
|
Halocline
|
Bepaalde diepte in zee waarop het zoutgehalte plotseling veranderd.
Zie ook spronglaag.
|
|
Halofiel
|
Een zout milieu verkiezend.
|
|
Heliofiel -
|
Zonminnend, lichtminnend.
|
|
Helocrene
|
Moerasbron of sijpelbron. Zie ook: acrocrene,
limnocrene, reocrene.
|
|
Herbivoor
|
Planteneter. Ook phytophaag.
|
|
Holarctisch
|
Zowel in Noord Amerika als in Noord Eurazië voorkomend
(boven de tropengordel); Noord Amerika en Noord Eurazië (boven de
tropengordel) betreffend.
|
|
Holoceen
|
Geologisch tijdvak. Het huidige interglaciaal.
|
|
Holsteinien
|
Geologisch tijdvak. Een interglaciaal in het Midden Pleistoceen.
|
|
Hoogwad
|
.... VS laagwad.
|
|
Hoogwater
|
.... VS laagwater.
|
|
Humus
|
....
|
|
Hygrofiel
|
Vochtminnend.
|
|
Hyperhalien
|
Of hypersalien. Zeer zout (bijv. in ingedampt zeewater), met een
chloriniteit hoger dan ca 21.5
. Zie ook zoutgehalte.
|
|
Hypersalien
|
Zie hyperhalien.
|
|
Hypertroof
|
Zeer voedselrijk, zie trofiesysteem.
|
|
Hypolimnion
|
Koude onderlaag van een gestratificeerd
meer. Zie ook spronglaag.
|
|
|
|
|
Incrustatie
|
Om- of overkorsting; Een korst op de schelp van vaak
abiotische oorsprong, meestal bestaande
uit kalkverbindingen en niet door de betreffende schelp gevormd.
Biotische incrustatie komt ook voor: dit wordt
veroorzaakt door begroeiing van de schelp met bijv. Bryozoa (Mosdiertjes),
kalkalgen, etc.
|
|
Indicatorsoorten
|
Soorten die door hun al dan niet voorkomen conclusies
m.b.t. het milieu en geologische ouderdom mogelijk maken.
|
|
Indifferent
|
Zonder voorkeur.
|
|
Infauna
|
Soorten levend in het sediment. VS
epifauna.
|
|
Infralittoraal
|
....
|
|
Inlaag
|
Zout binnenwater in de provincie Zeeland, door
dijkdoorbraak of afdamming van bestaand water ontstaan.
|
|
Insolatie
|
Zonnestraling; de inwerking van de insolatie op de habitat of de
biotoop.
|
|
Interglaciaal
|
Periode tussen twee glacialen in; die perioden in het
Kwartair waarin het klimaat gematigd tot
gematigd warm was. Zie ook interstadiaal.
|
|
Interstadiaal
|
Een minder koude periode gedurende een glaciaal
waarin het klimaat gunstiger was dan gedurende een
stadiaal.
Zie ook interglaciaal.
|
|
Interstitiëel
|
'Tussengeschoven'; bij mollusken: (in het (grond)water)
tussen zandkorrels voorkomend cq levend.
|
|
Invasie
|
Plotselinge massale aanwezigheid van een (of meer) soort(en).
Ook een massaal aanspoelen op het strand wordt met deze term aangeduid.
|
|
|
|
|
Jaarklasse
|
Groep van organismen uit een populatie
geboren in een bepaald jaar. Zie ook cohort.
|
|
|
|
|
Kalktuf
|
....
|
|
Keltisch
|
Mariene faunaprovincie, ook wel het
zuidelijkste deel van de boreale faunaprovincie
genoemd. Gelegen tussen Boreale (in het Noorden) en de
Lusitanische (in het Zuiden) faunaprovincies.
|
|
Kenozoicum
|
Geologisch tijdvak. Laatste aera of hoofdperiode uit de aardgeschiedenis. Volgt op
het Mesozoicum. Ook: Cainozoicum.
|
|
Kolk
|
Zie wiel.
|
|
Kwartair
|
Geologisch tijdvak. Periode uit de aardgeschiedenis, ook wel IJstijdvak genoemd. De jongste
periode uit het Kenozoicum volgend op het
Tertiair. Oorspronkelijk
beschreven als het vierde hoofdtijdvak van de aardgeschiedenis.
|
|
Kwel(water)
|
Uittredend (aan het oppervlak komend) grondwater. Kwelwater heeft vaak
andere eigenschappen dan het normale
oppervlakte-water: vaak is de
temperatuur lager (in Nederland) en zijn de scheikundige eigenschappen,
zoals bv het zout- of het kalkgehalte anders. Kwelwater zorgt daardoor
voor van de omgeving afwijkende ecologische omstandigheden.
|
|
Kwelder
|
Zie schor.
|
|
|
|
|
Laagwad
|
.... VS hoogwad.
|
|
Laagwater
|
.... VS hoogwater.
|
|
Lacustrien
|
Verband houdend met -, levend in -, gevormd door -, afgezet in
meren.
|
|
Lag
|
(E) Een concentratie van (uitgespoeld) grof materiaal op de bodem
van een mariene of
fluviatiele geul. Een 'lag' kan bv grind, gerolde
klei- en veenbrokken, houtresten en grotere schelpen bevatten.
|
|
Lagune
|
Een mariene inham, meestal min of meer
afgesloten van de directe invloed van de zee. Een lagune heeft daardoor
minder (of afwezig) getij, andere zoutgehalten, zuurstofcondities, temperaturen, etc.
|
|
Lagunair
|
Omstandigheden heersend in een lagune.
Op een lagune betrekking hebbend.
|
|
Landijskap
|
Het geheel van samenvloeiende oorspronkelijk afzonderlijke
gletsjers tot één groot
ijslichaam dat grote delen van een landoppervlak bedekt.
Landijskappen worden langzaam opgebouwd (in duizenden tot tienduizenden jaren)
en kunnen een aanzienlijke dikte bereiken (in de orde van 0.5-3 km dik).
Afsmelten en afbraak zou binnen enkele tientallen tot honderden jaren
plaats vinden. Tijdens pleistocene
ijstijden heeft het landijs grote delen
van Europa en Noord-Amerika bedekt. Huidige voorbeelden van ijskappen zijn te
vinden op Groenland en Antarctica.
|
|
Levensgemeenschap
|
Functioneel samenhangend geheel van planten en dieren in
een bepaald gebied. Zie ook associatie.
|
|
Limnisch
|
Zoetwater betreffend; in zoetwater voorkomend/levend. In limnisch water is de
chloriniteit lager dan 0.3
. Zie zoutgehalte,
lacustrien, fluviatiel,
limnologie.
|
|
Limnocrene
|
Bron die in een vijver ontspringt. Zie ook:
acrocrene, helocrene,
reocrene.
|
|
Limnologie
|
Studie van het zoete water. Omvat niet alleen biologische, maar ook fysische
en chemische onderzoekingen.
|
|
Lithologie
|
Gesteentekunde.
|
|
Lithostratigrafie
|
Stratigrafie enkel gebaseerd op de fysische en gesteente
kenmerken van de aardlagen.
|
|
Littoraal
|
Of litoraal: in het zoete water wordt de oeverzone bedoeld,
zowel het door het water beinvloedde deel boven de waterlijn als enkele meters
daar beneden. In het zoute water wordt meestal de zone tussen de hoogste
hoogwaterlijn en de laagste laagwaterlijn bedoeld. Daar ook wel
'getijdenzone' of 'intergetijdengebied' genoemd. Overigens wordt de ondergrens
in het mariene milieu ook wel lager gelegd, nl. bij de Laminaria-zone. Dit is
echter een foutieve opvatting. De plaats waar Laminaria groeit ligt altijd
onder water, beneden de laagste laagwaterlijn, en behoort daarom tot het
sublittoraal gerekend te worden. Zie ook eulittoraal,
supralittoraal, sublittoraal,
infralittoraal
|
|
Loess
|
Ook: löss. Door de wind afgezette grondsoort, bestaande uit
silt. Zie ook: aeolisch,
Brabantse Leem, Dekzand.
|
|
Lusitanisch
|
Mariene faunaprovincie. Gelegen
tussen de Keltische (in het Noorden)
en de Mediterrane faunaprovincie
(in het Zuiden).
|
|
|
|
|
Magnocaricion
|
Plantengemeenschap van de grote Zeggen (Carex spp.) in min of meer
eutroof water op week organisch,
of mineraal substraat. Vaak voorkomend in zomen langs
verschillende typen zoet water. Het magnocaricion is de
biotoop voor een hygrofiele
landmolluskenassociatie waartoe naast verschillende
Succineidae, oa ook Columella, Cochlicopa en verschillende soorten
Vertiginidae behoren. Bij de laatste hoort Vertigo moulinsiana, een
altijd al zeldzame soort waarvan de specifieke biotoop de laaste twintig jaar
zodanig in omvang is achteruitgegaan dat de soort nu als bedreigd beschouwd
wordt en kandidaat voor de Rode Lijst is.
|
|
Marien
|
De zee betreffend; levend in zee, gevormd in zee (een mariene
soort, een marien milieu, een - sediment, etc.).
|
|
Marokkaans
|
Mariene faunaprovincie. Gelegen
Zuidelijk van de Mediterrane faunaprovincie.
|
|
Mediterraan
|
De Middellandse Zee of het aangrenzende gebied betreffend;
ook een aparte mariene faunaprovincie.
|
|
Mesofiel
|
Betrekking hebbend op landmollusken, gebruikt in palaeoecologie. Mesofiele
soorten leven in een habitat zonder extreme kenmerken; meestal heerst
een zekere vochtigheid. Zie ook catholic [E]
|
|
Mesohalien
|
Brak water met een
chloriniteit van ca 3-10 .
Ook: levend in brak water met deze chloriniteit, of:
dergelijk brak water betreffend. Zie ook zoutgehalte.
|
|
Mesotrafent
|
Een matig voedselrijk milieu verkiezend.
|
|
Mesotroof
|
Matig voedselrijk, zie trofiesysteem.
|
|
Mesozoicum
|
Geologisch tijdvak. Aera of hoofdperiode. Volgt op het
Palaeozoicum en gaat vooraf aan het Kenozoicum.
|
|
Metalimnion
|
Zie spronglaag.
|
|
Microphytobenthos
|
Microscopisch kleine plantjes (vaak kiezelwieren) die op
of in de bodem leven.
|
|
Mioceen
|
Geologisch tijdvak. Periode uit het Tertiair, voorafgaand
aan het Plioceen.
|
|
Moeraskalk
|
....
|
|
Molluscivoor
|
Weekdieretend.
|
|
Mortaliteit
|
Sterfte.
|
|
|
|
|
Nearctisch
|
In Noord Amerika voorkomend; behorend tot of betrekking hebbend
op het gebied van Noord Amerika bezuiden het arctische gebied tot Mexico.
|
|
Neerslag
|
....
|
|
Neogeen
|
Geologisch tijdvak. Een onderverdeling van het Tertiair waarmee
Mioceen en het Plioceen
worden samengenomen. Zie ook Palaeogeen.
|
|
Neritisch
|
Op de zone in zee tussen strand en 200 m. diepte betrekking
hebbend.
|
|
Niche
|
De plaats van een plant of dier in het ecosysteem,
zijn habitat, voedsel en plaats in de voedselketen.
|
|
Nutriënten
|
Voedingsstoffen, zoals fosfor en stikstof verbindingen.
|
|
|
|
|
Oceanisch
|
....
|
|
Oecologie
|
[spreek uit: eukologie] Zie ecologie.
|
|
Oligohalien
|
Brak water met een
chloriniteit van ca 0.3-3 .
Ook: levend in brak water met deze chloriniteit OF
dergelijk brak water betreffend. Zie ook zoutgehalte.
|
|
Oligotrafent
|
Een voedselarm milieu verkiezend.
|
|
Oligotroof
|
Voedselarm, zie trofiesysteem.
|
|
Ondergroei
|
....
|
|
Organisch materiaal
|
....
|
|
|
|
|
Palaeoceen
|
Geologisch tijdvak. Oudste periode uit het Tertiair.
|
|
Palaeogeen
|
Geologisch tijdvak. Een onderverdeling van het Tertiair
waarmee Palaeoceen,
Eoceen en Oligoceen
worden samengenomen. Zie ook Neogeen.
|
|
Palaeontologie
|
De leer van de fossiele organismen, zowel wat bouw,
levensverrichtingen en verspreiding, als wat onderlinge verwantschap en
afstamming betreft. Men onderscheidt palaeobotanie en palaeozoologie.
|
|
Palearctisch
|
in noordelijk Eurazië voorkomend.
|
|
Paludaal
|
moeras(sig)
|
|
Pelagiaal
|
Open-waterzone van een groot meer of van de zee.
|
|
Pelagisch
|
Zwevend, als plankton levend.
|
|
Periferie
|
Rand: aan de periferie van het verspreidingsgebied. OOK:
conchologische term.
|
|
Periglaciaal
|
Betrekking hebbend op het gebied dat zich tijdens een ijstijd
voor de gletsjers uitstrekte. Het periglaciale gebied kenmerkt zich door het
algemeen voorkomen van verschijnselen die aan de nabijheid van een gletsjer
of een landijskap gerelateerd zijn, zoals bijv. smeltwaterafzettingen,
vorstwerking, zandverstuivingen, etc. Daarnaast wordt het woord gebruikt om
de processen, omstandigheden en verschijnselen uit dat gebied aan te duiden.
|
|
Periphyton
|
Aangroeisel: het geheel van vast- en aangehechte planten en
dieren dat op ondergedoken objecten groeit, samen met het ingespoelde
detritus en de door deze organismen afgescheiden
organische stof.
|
|
Permafrost
|
Permanent bevroren bodem zoals thans nog in grote delen van bv
Siberië wordt aangetroffen. Tijdens glacialen
breidt de permafrost zich naar het Zuiden uit. Dit gaat gepaard met
karakteristieke verschijnselen die gefossiliseerd kunnen worden. Met
behulp van deze verschijnselen heeft men afgeleid dat ons land tijdens
glacialen ook binnen de invloed van de
permafrost geweest is.
|
|
Phragmetum
|
Plantengemeenschap waarin riet (Phragmites) een hoofdrol speelt. Rietland,
rietkraag.
|
|
Phytophaag
|
.... zie herbivoor.
|
|
Pionier
|
Organisme dat aan het begin van een successie
staat. Pioniers kunnen (over)leven onder omstandigheden die voor veel
andere organismen (nog) niet geschikt zijn. Vaak dragen pioniers eraan
bij dat de omstandigheden zodanig veranderen dat andere organismen
die later in de successie staan ter plaatse kunnen leven.
|
|
Plankton
|
Ook holoplankton. In water zwevende micro-organismen die zichzelf
niet over grote afstand kunnen verplaatsen.
|
|
Plat
|
Ook: 'continentaal plat'. Het deel van de zee wat zich uitstrekt van de
kustlijn tot aan de plaats waar de zeebodem overgaat in een stijlere helling,
de zgn continentale helling. De gemiddelde waterdiepte waarop het plat in
de helling overgaat ligt bij ca 200 meter. Op het continentale plat liggen
de 'ondiepe' randzeeën, zoals de Noordzee.
|
|
Planktonisch
|
plankton betreffend.
|
|
Pleistoceen
|
Geologisch tijdvak. Oudste periode van het Kwartair.
|
|
Plioceen
|
Geologisch tijdvak. Jongste periode van het Tertiair.
|
|
Pluviaal
|
(betrekking hebbend op) het tropisch equivalent van een (deel van een)
interglaciale periode.
Pluvialen worden gekenmerkt door een hoge neerslag.
|
|
Polyhalien
|
Brak water met een
chloriniteit van ca 10-16
. Ook: levend in brak water met deze
chloriniteit, of: dergelijk brak water betreffend. Zie ook
zoutgehalte.
|
|
Pontisch
|
De Zwarte Zee en de omgeving daarvan betreffend.
|
|
Ponto-caspisch
|
het gebied van de Zwarte Zee en de Kaspische Zee en de
omgeving daarvan betreffend.
|
|
Predator
|
Carnivoor, een relatieve term, gebruikt voor een dier waardoor
bijv. de betreffende slak gegeten wordt. Een predator kan zelf prooi zijn voor
een dier dat hoger in de voedselpyramide staat.
|
|
Pretiglien
|
Geologisch tijdvak. Oudste glaciaal van het
Pleistoceen.
|
|
Priel
|
Kleine geul in het wad.
|
|
Profundiaal
|
diepste gedeelte van diepe meren, meestal meer dan enkele
tientallen meters diep.
|
|
Pseudo-faecal pellets
|
engelse term waarmee de geconcentreerde
uitgefilterde vaste afvalstoffen bedoeld worden die niet als voedsel worden
opgenomen en als pakketjes worden uitgestoten. Zie ook
'faecal pellets'
|
|
|
|
|
|
|
|
Recent
|
De huidige tijd; in de huidige tijd, tegenwoordig, levend.
|
|
Reductiezone
|
....
|
|
Refugium
|
wijkplaats; gebied waar een soort een ongunstige periode weet te
overleven. B.v. het winterrefugium. Ook in de geologie: plek waar een
organisme tijdens een langdurig ongunstige periode (bv. een
ijstijd) overleeft.
|
|
Regressie
|
het terugtrekken van de zee. Zie ook transgressie.
|
|
Relictair
|
een subjectieve term, gebruikt om bijv. aan te geven dat het om
een restant gaat van een ooit veel groter verspreidingsgebied (een relictair
voorkomen).
|
|
Remaniëring
|
uitspoeling van ouder materiaal (bv. fossielen) en hersedimentatie.
|
|
Reocrene
|
bron die als een watervalletje ontspringt. Zie ook:
acrocrene, helocrene,
limnocrene.
|
|
Reofiel
|
stromend water verkiezend.
|
|
Reuverien
|
Geologisch tijdvak. de laatse periode binnen het Plioceen.
|
|
Rheofiel
|
Zie reofiel.
|
|
Rode lijst
|
....
|
|
|
|
|
Saalien
|
Geologisch tijdvak. De glaciale periode van het
Pleistoceen waarin het Skandinavische
landijs Nederland bereikte.
|
|
Saliniteit
|
totaal zoutgehalte.
|
|
Sapropelium
|
organisch zuurstofloos sediment (modder),
diepzwart vanwege ijzersulfide, vaak stinkend naar zwavelwaterstof.
Ook wel rotmodder genoemd.
|
|
Schor
|
Begroeid land gelegen boven de getijdenzone
binnen het supralittoraal. Ook wel kwelder
genoemd. Een schor wordt meestal doorsneden door geulen of slenken die met
vloed vanuit zee vollopen. De begroeiing op het
schor bestaat uit halofiele planten. Ook
de fauna is heel kenmerkend; zo leven in Nederland enkele slakkensoorten
vrijwel uitsluitend in deze habitat, bv.:
Ovatella myosotis (Muizenoortje), Assiminia grayana
(Gray's Kustslak), etc.
|
|
Sediment
|
afzetting.
|
|
Sedimentatie
|
het door de zwaartekracht uitzakken van deeltjes in de
waterkolom of uit de lucht. Het resultaat is een sedimentair gesteente of
sediment, ook wel afzetting genoemd.
|
|
Semi-permanente wateren
|
regelmatig, bv seizoensgebonden, uitdrogende
wateren.
|
|
Sessiel
|
vastzittend.
|
|
Seston
|
verzameling van in de waterkolom aanwezig plankton,
detritus en anorganische deeltjes.
|
|
Silt
|
....
|
|
Slenk
|
Geul door een schor.
|
|
Slik(wad)
|
....
|
|
Spatzone
|
zie supralittoraal.
|
|
Springtij
|
het moment meestal enkele dagen na volle maan, waarop de vloed
de hoogste (springvloed) en de eb
de laagste stand bereikt.
|
|
Spronglaag
|
in meren een laag op zekere diepte, die op basis van temperatuur
en bijbehorend soortelijk gewicht van het water, een scherp begrensde overgang
markeert; ook: thermocline of metalimnion. Meren waarin
een spronglaag voorkomt zijn gestratificeerd (gelaagd): onderin bevindt zich water met een
lage temperatuur (het hypolimnion), boven de spronglaag bevindt zich water met
een hogere temperatuur (het epilimnion). Zie ook: halocline.
|
|
Stadiaal
|
de koudere perioden tijdens een glaciaal.
Meestal zijn dit de perioden met landijs-uitbreiding. Zie ook
interstadiaal.
|
|
Stenotherm
|
aan een beperkt temperatuursbereik aangepast. Tegenover
eurytherm.
|
|
Strang
|
dode ('verlaten') rivierarm.
|
|
Stratificatie
|
Gelaagdheid van een meer of de zee, meestal betrekking
hebbend op temperatuur, zuurstof- en/of zoutgehalte. Zie
spronglaag.
|
|
Stratigrafie
|
studie van de opeenvolging, samenstelling, kenmerken en
eigenschappen van aardlagen.
|
|
Stratigrafisch
|
de stratigrafie betreffend.
|
|
Strooisellaag
|
Losse bovenlaag van een bodem, meestal in een bos, bestaande uit dood
plantaardig materiaal, zoals hout en bladresten, in verschillende staat
van afbraak. In de strooisellaag leeft een specifieke fauna waarvan
bepaalde slakkensoorten deel uitmaken.
|
|
Sub-
|
het voorvoegsel 'onder-', Zie ook super-. OOK: in
taxonomische terminologie.
|
|
Subarctisch
|
betrekking hebbend op het aan de Noordpoolstreken grenzende
gebied.
|
|
Subboreaal
|
Geologisch tijdvak. De vierde en één na laatste periode van het
Holoceen, volgend op het Atlanticum en
voorafgaand aan het Subatlanticum.
|
|
Subfossiel
|
'bijna fossiel'. Een vrij zinloos want vaag en onnauwkeurig begrip
wat beter niet gebruikt kan worden. Zie subrecent.
|
|
Sublittoraal
|
....
|
|
Submers
|
ondergedoken; onder water bevindende planten en dieren. Tegenover
emers. Bv waterplanten die deels onder en deels
boven water leven hebben een submers en een emers gedeelte. De
Brakwaterkokkel leeft bij voorkeur submers, terwijl de gewone Kokkel
een deel van de dag op het wad bij
eb tegen droogvallen bestand is, dwz emerse
omstandigheden kan verdragen.
|
|
Subrecent
|
'Bijna recent'. Een vrij zinloos want vaag en onnauwkeurig begrip
wat beter niet gebruikt kan worden. Zie ook subfossiel.
|
|
Substraat
|
De ondergrond; het min of meer vaste oppervlak waarop een plant
of dier zich bevindt. NB planten en dieren kunnen zelf ook als substraat voor
andere planten en dieren dienen.
|
|
Super-
|
het voorvoegsel boven- of hoger-, Zie ook sub-.
Ook in taxonomische terminologie.
|
|
Supralittoraal
|
het bovenste gedeelte van de kust, boven de normale
hoogwaterlijn gelegen. Dit is de zgn 'spatzone' die wordt bereikt door
opspattend zeewater en incidentele zeer hoge vloed. Zie ook
schor.
|
|
Synantroop
|
Sterk geassocieerd met menselijke invloed; 'mensvolgers'. VS
antropochoor. Het is niet altijd
volkomen duidelijk of een soort als synantroop danwel antropochoor
beschouwd moet worden. Zie ook antropogeen.
Hier vindt U een lijst van nu in Nederland
levende molluskensoorten die hier van oorsprong niet thuis horen.
|
|
|
|
|
Temporair
|
Tijdelijk, bv seizoensgebonden, zoals in: 'temporair water'.
|
|
Terrestrisch
|
op het land betrekking hebbend. VS aquatisch.
Ook: op het droge land gevormd.
|
|
Tertiair
|
Geologisch tijdvak. De oudste periode uit het
Kenozoicum, voorafgaand aan het
Kwartair. Oorspronkelijk beschreven als het
derde hoofdtijdvak van de aardgeschiedenis.
|
|
Thermocline
|
Bepaalde waterdiepte in zee of meer waarop de watertemperatuur
plotseling sterk veranderd. Zie ook spronglaag.
|
|
Thermofiel
|
warmteminnend; betrekking hebbend op warmteminnende soorten.
|
|
Tiglien
|
Geologisch tijdvak. Periode uit het Vroeg Pleistoceen, bestaande
uit verschillende koudere en warmere perioden.
|
|
Transgressie
|
Het uitbreiden van de zee. Zie ook regressie.
|
|
Travertijn
|
Een uitzonderlijk harde en compacte vorm van kalktuf.
Vaak gevormd in (warme) bronnen.
|
|
Trofiesysteem
|
Meren kunnen op grond van hun voedselrijkdom worden ingedeeld
in verschillende categorieën. Een globale indeling in trofiegraden van
voedselarm tot zeer voedselrijk is: oligotroof,
mesotroof, eutroof en
hypertroof water.
|
|
Trofisch
|
Op de voedselopname betrekking hebbend.
|
|
Tuf
|
Engels: tufa. een kalkige neerslag gevormd door verdampend met kalk
verzadigd water.
|
|
|
|
|
|
|
|
Veliger
|
Een planktonisch levende larve die bij
sommige soorten in water levende slakken voorkomt.
|
|
Vloed
|
Ook wel opkomend water of opkomend getij. Dat deel van de getijden
cyclus waarin het zeewater van de laagste stand (= laag water)
naar de hoogste stand (= hoog water) rijst.
VS eb(tij). Zie ook springtij
|
|
Vloedbos
|
Bos wat bij hoge waterstand van rivier overstroomt.
Zie ook: bronbos,
vloedbos.
|
|
|
|
|
Waai
|
Zie wiel.
|
|
Waal
|
Zie wiel.
|
|
Waalien
|
Geologisch tijdvak. Pleistocene periode bestaande uit twee
warme perioden gescheiden door een koelere periode.
|
|
Wad
|
....
|
|
Weichselien
|
Geologisch tijdvak. De laatste glaciale periode uit het
Pleistoceen.
|
|
Wiel
|
Een meestal (van oorsprong) diepe plas die ontstaan is door de
"uitkolking" van de (onder)grond door water bij een plotselinge doorbraak van
een verhoging (oeverwal of dijk) grenzend aan een rivier, meer of zee. Ook wel
kolk, waai of waal genaamd. Zie ook inlaag.
|
|
|
|
|
Xerofiel
|
Bestand tegen extreem droge condities.
|
|
|
|
|
IJstijd
|
Zie glaciaal, Kwartair.
|
|
|
|
|
Zoetwatergetijdengebied
|
....
|
|
Zonering
|
Een opeenvolging van gebieden of perioden elk met eigen kenmerken
en min of meer duidelijk van elkaar gescheiden door plotselinge overgangen.
|
|
Zoutgehalte
|
De totale hoeveelheid zouten opgelost in water. Zie
saliniteit en chloriniteit.
Zie ook bij: brak water, euhalien,
euryhalien, hyperhalien,
limnisch, mesohalien,
oligohalien, polyhalien.
|
|
Zuurgraad
|
Zie pH.
|