Glossarium 3: over typen en soortbegrip

Taxonomie (Systematiek) is een moeilijk vakgebied met eigen regels en vaktermen. Verwantschap, gelijkenis, soortbegrip, type-materiaal, etc., zijn hier aan de orde. Op deze pagina wordt gepoogd de meest voorkomende termen te verklaren. De lijst is zeker niet volledig, er is een keuze gemaakt wat een zekere subjectiviteit met zich mee brengt.

Er is voor het samenstellen van deze lijst vooral gebruik gemaakt van:

E. Gittenberger & A.W. Janssen (red.), 1998. De Nederlandse zoetwatermollusken. Recente en fossiele weekdieren uit zoet- en brakwater. - Nederlandse Fauna 2, Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & EIS Nederland, Leiden.

Term Verklaring
Apomorf de term apomorf wordt gebruikt om aan te geven dat een kenmerk (beter: de toestand van een kenmerk) is afgeleid, dit ten opzichte van de plesiomorfe (= oorspronkelijke of primitieve) toestand waarin het kenmerk verkeerde; zo is het kapvormige schelpje van bijv. Ancylus fluviatilis waarschijnlijk apomorf t.o.v. de plesiomorfe toestand zoals te zien is in de hooggewonden schelp van veel andere zoetwaterslakken; zie ook autapomorfie en synapomorfie.
Auct. (L. auctorum) meestal als 'sensu auct.': zoals opgevat door de meeste auteurs (en in tegenstelling tot de oorspronkelijke bedoeling).
Autapomorfie het voorkomen van een apomorf kenmerk dat karakteristiek is voor het betreffende taxon.
Auteur in de nomenclatuur is de auteur degene die de eerste beschrijving van een taxon heeft gepubliceerd.
Binominaal met twee woorden (genus en epitheton specificum) de naam van een soort betreffend, al dan niet met de toevoeging van de naam van een subgenus (tussen haakjes); zie ook trinominaal.
Clade taxon.
Cladistiek moderne term voor fylogenetische systematiek, waarbij de nadruk ligt op het onderscheiden en classificeren van clade's; zie ook taxon.
Convergentie het verschijnsel dat er in de loop van de evolutie een grotere gelijkenis tussen twee of meer gescheiden taxa (bijv. soorten) ontstaat dan er aanvankelijk bestond, dus als bijv. een bepaald kenmerk zich twee of meer keren ontwikkelt, uitgaande van verschillende primaire kenmerken; zie ook parallelisme.
Determineren op naam brengen; de naam van een taxon vast stellen.
Domein Zie bij phylum.
Epitheton als 'epitheton specificum' het woord dat na de naam van het genus staat en samen daarmee de naam van de soort compleet maakt (zie ook binominaal)
als 'epitheton subspecificum' een tweede epitheton, nodig om de naam van een ondersoort aan te geven (zie ook trinominaal); vaak wordt het epitheton specificum slordig als de soortsnaam aangeduid en heeft men het over het epitheton subspecificum als de ondersoortsnaam.
Et al. [L. et alii = en anderen] gebruikt voor het kort aanduiden van een publicatie met meer dan twee auteurs, zo schrijft men bijv. De Bruijne et al., 1994 in plaats van De Bruijne, Bank, Adema & Perk, 1994.
Etiket een papiertje met de bij een monster horende relevante gegevens; de wetenschappelijke waarde van een collectie staat of valt met de kwaliteit van de gegevens op de etiketten.
Familie een taxon dat is samengesteld uit één of meer geslachten, aangeduid met een naam die op '-idae' eindigt en van een geslachtsnaam is afgeleid (zoals Planorbidae, afgeleid van Planorbis); de naam van een sub- of onderfamilie eindigt op '-inae' (bijv. Planorbinae).
Fenetisch in principe uitsluitend afgaande op de objectief waarneembare kenmerken, die allemaal even belangrijk geacht worden, zonder rekening te houden met convergentie of parallelisme (zie ook fylogenetisch); fenetische verwantschap is vormverwantschap, binnen de fenetische systematiek geldt dat de verwantschap nauwer wordt genoemd naarmate het aantal overeenkomstige kenmerken groter is; probleem: wat is één kenmerk?
Fylogenetisch met betrekking tot de fylogenie, d.w.z. de evolutionaire geschiedenis (zie ook fenetisch); fylogenetische verwantschap is bloedverwantschap; in de fylogenetische systematiek worden niet alle kenmerken op dezelfde manier gebruikt om tot uitspraken over de verwantschap en tot een reconstructie van de evolutionaire geschiedenis (de fylogenie) te komen; zie ook apomorf en plesiomorf.
Genera meervoud van genus.
Genus geslacht.
Geslacht /Genus of genus; een taxon van lage rangorde, samengesteld uit één of meer soorten en voorzien van een eigen naam (bijv. Planorbis); één of meer geslachten samen vormen een familie; nog weer hogere taxa zijn respectievelijk de orde, de klasse, het phylum, het rijk en het domein.
Geslachtsdimorfie het verschijnsel dat bijv. de schelpen van mannelijke en die van vrouwelijke exemplaren herkenbaar anders zijn.
Holotype een door de auteur zelf geselecteerd exemplaar, waaraan de naam van de betreffende soort of ondersoort onlosmakelijk gekoppeld is, wat van belang is wanneer later blijkt dat een naam gebaseerd is op materiaal bestaande uit meer dan één soort; zie ook type-materiaal.
Hybride bastaard, een (gewoonlijk zeldzame) kruising tussen twee soorten.
ICZN 'International Code of Zoological Nomenclature'; zie nomenclatuurregels.
Klasse een taxon dat is samengesteld uit één of meer orden, aangeduid met een onafhankelijke naam.
Lectotype een pas ná de eerste beschrijving, dus in een latere publicatie, uit de oorspronkelijk aanwezige syntypen geselecteerd type; zie ook type-materiaal.
Lit. gewoonlijk als 'in lit.' (Latijn: in littera), d.w.z. in een schriftelijke mededeling, dus niet in de gepubliceerde literatuur te vinden.
Lumper Engelse term voor een systematicus die geneigd is door anderen onderscheiden taxa weer samen te voegen, en die bijv. liever enkele vormen binnen één soort wil accepteren, dan uit te gaan van verschillende soorten; zie ook splitter.
Morfologisch zowel de uitwendige als de inwendige vorm betreffend.
Neotype een soort lectotype, maar dan door overmacht niet geselecteerd uit de syntypen, omdat die verloren gegaan of onvindbaar zijn ; zie ook type-materiaal
Nieuwe soort een soort die tot het moment van beschrijven nog niet bekend was; de soort als zodanig is niet nieuw.
Nomenclatuur naamgeving.
Nomenclatuurregels de formele regels voor de wetenschappelijke naamgeving, vastgelegd en gepubliceerd in de 'International Code of Zoological Nomenclature' (ICZN), opgesteld door de 'International Commission of Zoological Nomenclature'; de ICZN is een soort wetboek.
Non niet (in diverse combinaties); vaak gebruikt om aan te geven dat een bepaalde naam niet conform de opvatting van een bepaalde auteur wordt gebruikt, bijv. 'non Lamarck, 1809': niet zoals Lamarck het in 1809 bedoelde.
Ondersoort Ook: subspecies; een (meestal morfologisch) herkenbaar onderdeel van een soort met een eigen verspreidingsgebied; waar ondersoorten aan elkaar grenzen vormen ze vruchtbare tussenvormen en is er dus geen sprake van isolatie; de praktijk is vaak wat ingewikkelder dan deze eenvoudige omschrijving suggereert; zie ook trinominaal.
Opinion een gepubliceerde, bindende uitspraak van de ICZN.
Orde een taxon gevormd door één of meer families samen, aangeduid met een onafhankelijke naam.
Parallelisme -.-.-.-.-.-; Zie ook convergentie
Paratype een exemplaar naast het holotype; holotype en paratypen samen zijn vergelijkbaar met de syntypen; zie ook type-materiaal.
Phylum een taxon van zeer hoge rangorde uit de hiërarchie van de levende wereld, opgebouwd uit één of meer klassen, en aangeduid met een eigen naam (bijv. Mollusca); alleen domein (bijv. Eucarya, de combinatie van dieren, zwammen, planten, slijmzwammen, enz.; naast bijv. Bacteria) en rijk (bijv. dierenrijk) zijn nog hoger in rangorde.
Plesiomorf zie apomorf.
Populatie een groep individuen van één soort, levend in een bepaald gebied.
Prioriteit *********
Reine Linie met deze term bedoelt W. Johannsen (1857-1927, Deense erfelijkheidsonderzoeker) alle langs geslachtelijke weg ontstane individuen, die afstammen van één enkel zelfbevruchtend individu.
Rijk zie phylum.
S.l. sensu lato.
S.lat. sensu lato.
S.s. sensu stricto.
S.str. sensu stricto.
Sedis incertae ('Van onzekere plaats') gebruikt voor een taxon waarvan de systematische plaatsing onzeker is, bijv. Hydrobia sedis incertae (het is onzeker tot welk subgenus de betreffende soort behoort).
Sensu lato s.l. of s.lat.; in ruimere zin, waarmee gesuggereerd wordt dat het betreffende taxon s.l. wellicht als méér dan één taxon geïnterpreteerd zou moeten worden.
Sensu stricto s.s. of s.str.; in engere zin, waarmee gesuggereerd wordt dat het betreffende taxon wellicht een lagere rangorde verdient.
Sibling species morfologisch identieke, maar genetisch echte (dus niet kruisbare) soorten, die op basis van hun uiterlijk niet kunnen worden onderscheiden.
Soort species; er is heel veel over het begrip soort geschreven, maar een definitie die op alle natuurlijke situaties bevredigend toepasbaar is, bestaat niet; dat is niet verwonderlijk; soorten kunnen in de loop van de evolutie zonder scherpe grenzen overgaan in andere soorten. Een soort bestaat volgens een populaire definitie uit één of meer populaties van individuen, die een onderlinge samenhang vertonen door overeenkomstige kenmerken, en die bovendien in principe in staat zijn onder natuurlijke omstandigheden onderling vruchtbare nakomelingen voort te brengen (kruisbaar zijn); in een laboratorium heersen geen natuurlijke omstandigheden, zodat men daar niet kan toetsen of twee vormen tot dezelfde soort moeten worden gerekend of niet.
Bij fossielen zijn experimenten uiteraard onmogelijk, maar ook bij recente organismen met ongeslachtelijke voortplanting kan kruisbaarheid geen criterium zijn; in de praktijk wordt dan ook de herkenbaarheid op basis van een karakteristieke combinatie van kenmerken van groot belang geacht; bij recente organismen, of fossielen uit hetzelfde stratigrafische niveau, wordt bij probleemgevallen (één of twee soorten ?) bewust gezocht naar het al dan niet voorkomen van tussenvormen. Als die ergens gevonden worden, gaat het niet om verschillende soorten; de tussenvormen worden dan als een aanwijzing voor kruisbaarheid gezien; als echter twee problematische vormen nooit ergens samen gevonden worden, levert de natuur geen basis voor een bevredigend antwoord. Inmiddels zijn er heel wat zgn. 'sibling species' bekend, recente soorten die volstrekt niet kruisbaar zijn (dus echt verschillende soorten), maar op basis van hun uiterlijk niet onderscheiden kunnen worden; deze categorie zal bij fossielen dus niet of nauwelijks (soms met moderne moleculaire methoden) aan het licht kunnen komen; bij fossielen speelt bovendien het probleem van de afgrenzing van soorten binnen een reeks van in de tijd opeenvolgende, samenhangende vormen, vooral als er veel materiaal ter beschikking staat; hier zijn subjectieve beslissingen soms onvermijdelijk; zie ook ondersoort.
Sp. spec.
Spec. afkorting van species (soort); deze afkorting wordt vaak gebruikt om aan te geven dat een determinatie tot op de soort niet mogelijk wordt geacht; de afkorting komt dan in de plaats van het epitheton specificum, bijv. Pisidium spec.
Speciatie soortvorming; zie bij soort.
Species soort.
Splitter een Engelse term voor een systematicus die geneigd is veel taxa te onderscheiden, bijv. veel soorten in plaats van een geringer aantal, meer variabele soorten; zie ook lumper.
Sub- het voorvoegsel 'onder-', dat bij uiteenlopende taxa kan voorkomen om een één stap lagere taxonomische categorie aan te geven, zoals subspecies voor ondersoort, of subclassis voor onderklasse; zie ook super-.
Subgenus zie bij sub-
Subspecies ondersoort.
Super- een voorvoegsel dat bij uiteenlopende taxa kan voorkomen om een één stap hoger taxon aan te geven; zie ook sub-.
Symplesiomorfie het voorkomen van een plesiomorfe vorm van een kenmerk bij bijv. een aantal soorten, er is weliswaar ooit een soort geweest die als eerste die plesiomorfe vorm van dat kenmerk bezat, maar sommige afstammelingen van die soort hebben later apomorfe vormen (toestanden) van dat kenmerk ontwikkeld; op basis van symplesiomorfie wordt dus een groep van soorten samengenomen die in zekere zin onnatuurlijk is, want er ontbreken de groepjes nakomelingen in die later apomorfe vormen hebben gekregen.
Synapomorfie het voorkomen van een apomorf kenmerk bij bijv. een aantal soorten, wat er op zou kunnen wijzen dat die soorten afstammen van een vooroudersoort, die als eerste dat apomorfe kenmerk ontwikkelde; alle zoetwaterslakkensoorten met een kapvormige, dus wat dat betreft apomorfe, schelpvorm zouden dus kunnen afstammen van een soort die als eerste zo'n schelpvorm ontwikkelde; vaak, zoals ook bij dit voorbeeld, is het probleem dat andere gegevens er op lijken te wijzen dat er enkele keren onafhankelijk kapvormige schelpen zijn ontstaan in de loop der evolutie, dus dat er convergentie is opgetreden.
Synoniemen verschillende namen voor dezelfde soort.
Syntypen al het oorspronkelijk aanwezige, in de beschrijving verwerkte lectotype materiaal, waarbinnen de auteur verder geen selectie heeft gemaakt; zie ook type-materiaal.
Systematicus iemand die zich met systematiek bezig houdt.
Systematiek binnen de biologie de wetenschap die zich ten doel stelt de uiteenlopende soorten van organismen, genera, enz., in een hiërarchisch systeem onder te brengen (classificeren); in het ideale geval geeft dat systeem dan een afspiegeling van de natuurlijke verwantschappen tussen de uiteenlopende levensvormen, ontstaan tijdens de evolutie.
Taxa meervoud van taxon.
Taxon een natuurlijke, unieke eenheid, die individualiteit heeft en maar één keer tijdens de evolutie is ontstaan: alle (!) afstammelingen van één soort, dus bijv. een genus (zoals bijv. Planorbis) of een familie (zoals bijv. Valvatidae) vormen een taxon, maar de groep 'zoetwaterslakken' niet.
Taxonomie systematiek.
Trinominaal De uit drie woorden (nl. genus, epitheton specificum en epitheton subspecificum) bestaande naam van een ondersoort, al dan niet met (tussen haakjes) de toevoeging van de naam van een subgenus); zie ook binominaal.
Type-localiteit de plaats waar het holo-, lecto-, of neotype vandaan komt; zie ook type-materiaal.
Type-materiaal het materiaal waarop de oorspronkelijke beschrijver en naamgever (de auteur) van een soort of ondersoort de beschrijving baseerde; onderscheiden worden o.a.: syntypen, holotype, paratype, lectotype & neotype
Type-soort de als zodanig geselecteerde soort waaraan de naam van een genus of subgenus onlosmakelijk verbonden is; wordt bijv. een genus later opgesplitst in twee genera, dan blijft de oorspronkelijke naam gekoppeld aan de groep waartoe de type-soort behoort.
Zustersoorten wanneer een soort in de loop van de evolutie opsplitst in twee soorten, zijn dat per definitie zustersoorten.

[ naar boven ]


www.spirula.nl   Laatst gewijzigd: 15 april 2010