Taxonomie (Systematiek) is een moeilijk vakgebied met eigen regels en vaktermen.
Verwantschap, gelijkenis, soortbegrip, type-materiaal, etc., zijn hier aan de orde. Op
deze pagina wordt gepoogd de meest voorkomende termen te verklaren. De lijst is zeker niet
volledig, er is een keuze gemaakt wat een zekere subjectiviteit met zich mee brengt.
| Term
| Verklaring
|
|
Apomorf
|
de term apomorf wordt gebruikt om aan te geven dat een kenmerk (beter: de
toestand van een kenmerk) is afgeleid, dit ten opzichte van de
plesiomorfe (= oorspronkelijke of primitieve)
toestand waarin het kenmerk verkeerde; zo is het kapvormige schelpje van bijv.
Ancylus fluviatilis waarschijnlijk apomorf t.o.v. de
plesiomorfe toestand zoals te zien is in de
hooggewonden schelp van veel andere zoetwaterslakken; zie ook
autapomorfie en
synapomorfie.
|
|
Auct.
|
(L. auctorum) meestal als 'sensu auct.': zoals opgevat door de meeste
auteurs (en in tegenstelling tot de oorspronkelijke
bedoeling).
|
|
Autapomorfie
|
het voorkomen van een apomorf kenmerk dat karakteristiek
is voor het betreffende taxon.
|
|
Auteur
|
in de nomenclatuur is de auteur degene die de
eerste beschrijving van een taxon heeft gepubliceerd.
|
|
Binominaal
|
met twee woorden (genus en
epitheton specificum) de naam van een
soort betreffend, al dan niet met de toevoeging van de
naam van een subgenus (tussen haakjes); zie ook
trinominaal.
|
|
Clade
|
taxon.
|
|
Cladistiek
|
moderne term voor fylogenetische systematiek,
waarbij de nadruk ligt op het onderscheiden en classificeren van
clade's; zie ook taxon.
|
|
Convergentie
|
het verschijnsel dat er in de loop van de evolutie een grotere gelijkenis
tussen twee of meer gescheiden taxa (bijv.
soorten) ontstaat dan er aanvankelijk bestond, dus als
bijv. een bepaald kenmerk zich twee of meer keren ontwikkelt, uitgaande van
verschillende primaire kenmerken; zie ook
parallelisme.
|
|
Determineren
|
op naam brengen; de naam van een taxon vast stellen.
|
|
Domein
|
Zie bij phylum.
|
|
Epitheton
|
als 'epitheton specificum' het woord dat na de naam van het
genus staat en samen daarmee de naam van de
soort compleet maakt (zie ook
binominaal)
als 'epitheton subspecificum' een tweede epitheton, nodig om de naam van een
ondersoort aan te geven (zie ook trinominaal);
vaak wordt het epitheton specificum slordig als de soortsnaam aangeduid en
heeft men het over het epitheton subspecificum als de ondersoortsnaam.
|
|
Et al.
|
[L. et alii = en anderen] gebruikt voor het kort aanduiden van een
publicatie met meer dan twee auteurs, zo schrijft men bijv. De Bruijne et
al., 1994 in plaats van De Bruijne, Bank, Adema & Perk, 1994.
|
|
Etiket
|
een papiertje met de bij een monster horende relevante gegevens; de
wetenschappelijke waarde van een collectie staat of valt met de kwaliteit
van de gegevens op de etiketten.
|
|
Familie
|
een taxon dat is samengesteld uit één of
meer geslachten, aangeduid met een naam die op '-idae'
eindigt en van een geslachtsnaam is afgeleid (zoals Planorbidae, afgeleid van
Planorbis); de naam van een sub- of onderfamilie eindigt op '-inae'
(bijv. Planorbinae).
|
|
Fenetisch
|
in principe uitsluitend afgaande op de objectief waarneembare kenmerken, die
allemaal even belangrijk geacht worden, zonder rekening te houden met
convergentie of
parallelisme (zie ook
fylogenetisch); fenetische verwantschap is
vormverwantschap, binnen de fenetische systematiek
geldt dat de verwantschap nauwer wordt genoemd naarmate het aantal
overeenkomstige kenmerken groter is; probleem: wat is één
kenmerk?
|
|
Fylogenetisch
|
met betrekking tot de fylogenie, d.w.z. de evolutionaire geschiedenis (zie ook
fenetisch); fylogenetische verwantschap is
bloedverwantschap; in de fylogenetische systematiek
worden niet alle kenmerken op dezelfde manier gebruikt om tot uitspraken over
de verwantschap en tot een reconstructie van de evolutionaire geschiedenis
(de fylogenie) te komen; zie ook apomorf en
plesiomorf.
|
|
Genera
|
meervoud van genus.
|
|
Genus
|
geslacht.
|
|
Geslacht /Genus
|
of genus; een taxon van lage rangorde, samengesteld uit
één of meer soorten en voorzien van een
eigen naam (bijv. Planorbis); één of meer geslachten samen vormen
een familie; nog weer hogere taxa
zijn respectievelijk de orde, de
klasse, het phylum, het
rijk en het domein.
|
|
Geslachtsdimorfie
|
het verschijnsel dat bijv. de schelpen van mannelijke en die van vrouwelijke
exemplaren herkenbaar anders zijn.
|
|
Holotype
|
een door de auteur zelf geselecteerd exemplaar, waaraan
de naam van de betreffende soort of
ondersoort onlosmakelijk gekoppeld is, wat van
belang is wanneer later blijkt dat een naam gebaseerd is op materiaal
bestaande uit meer dan één soort; zie ook
type-materiaal.
|
|
Hybride
|
bastaard, een (gewoonlijk zeldzame) kruising tussen twee soorten.
|
|
ICZN
|
'International Code of Zoological Nomenclature'; zie
nomenclatuurregels.
|
|
Klasse
|
een taxon dat is samengesteld uit één of
meer orden, aangeduid met een onafhankelijke naam.
|
|
Lectotype
|
een pas ná de eerste beschrijving, dus in een latere publicatie, uit de
oorspronkelijk aanwezige syntypen geselecteerd type;
zie ook type-materiaal.
|
|
Lit.
|
gewoonlijk als 'in lit.' (Latijn: in littera), d.w.z. in een schriftelijke
mededeling, dus niet in de gepubliceerde literatuur te vinden.
|
|
Lumper
|
Engelse term voor een systematicus die geneigd is
door anderen onderscheiden taxa weer samen te voegen, en
die bijv. liever enkele vormen binnen één
soort wil accepteren, dan uit te gaan van verschillende
soorten; zie ook splitter.
|
|
Morfologisch
|
zowel de uitwendige als de inwendige vorm betreffend.
|
|
Neotype
|
een soort lectotype, maar dan door overmacht niet
geselecteerd uit de syntypen, omdat die verloren
gegaan of onvindbaar zijn ; zie ook
type-materiaal
|
|
Nieuwe soort
|
een soort die tot het moment van beschrijven nog niet
bekend was; de soort als zodanig is niet nieuw.
|
|
Nomenclatuur
|
naamgeving.
|
|
Nomenclatuurregels
|
de formele regels voor de wetenschappelijke naamgeving, vastgelegd en
gepubliceerd in de 'International Code of Zoological Nomenclature' (ICZN),
opgesteld door de 'International Commission of Zoological Nomenclature'; de
ICZN is een soort wetboek.
|
|
Non
|
niet (in diverse combinaties); vaak gebruikt om aan te geven dat een bepaalde
naam niet conform de opvatting van een bepaalde auteur
wordt gebruikt, bijv. 'non Lamarck, 1809': niet zoals Lamarck het in 1809
bedoelde.
|
|
Ondersoort
|
Ook: subspecies; een (meestal morfologisch)
herkenbaar onderdeel van een soort met een eigen
verspreidingsgebied; waar ondersoorten aan elkaar grenzen vormen ze vruchtbare
tussenvormen en is er dus geen sprake van isolatie; de praktijk is vaak wat
ingewikkelder dan deze eenvoudige omschrijving suggereert; zie ook
trinominaal.
|
|
Opinion
|
een gepubliceerde, bindende uitspraak van de ICZN.
|
|
Orde
|
een taxon gevormd door één of meer
families samen, aangeduid met een onafhankelijke naam.
|
|
Parallelisme
|
-.-.-.-.-.-; Zie ook convergentie
|
|
Paratype
|
een exemplaar naast het holotype; holotype en
paratypen samen zijn vergelijkbaar met de syntypen;
zie ook type-materiaal.
|
|
Phylum
|
een taxon van zeer hoge rangorde uit de hiërarchie
van de levende wereld, opgebouwd uit één of meer
klassen, en aangeduid met een eigen naam (bijv. Mollusca);
alleen domein (bijv. Eucarya, de combinatie van dieren,
zwammen, planten, slijmzwammen, enz.; naast bijv. Bacteria) en
rijk (bijv. dierenrijk) zijn nog hoger in rangorde.
|
|
Plesiomorf
|
zie apomorf.
|
|
Populatie
|
een groep individuen van één soort,
levend in een bepaald gebied.
|
|
Prioriteit
|
*********
|
|
Reine Linie
|
met deze term bedoelt W. Johannsen (1857-1927, Deense erfelijkheidsonderzoeker)
alle langs geslachtelijke weg ontstane individuen, die afstammen van
één enkel zelfbevruchtend individu.
|
|
Rijk
|
zie phylum.
|
|
S.l.
|
sensu lato.
|
|
S.lat.
|
sensu lato.
|
|
S.s.
|
sensu stricto.
|
|
S.str.
|
sensu stricto.
|
|
Sedis incertae
|
('Van onzekere plaats') gebruikt voor een taxon waarvan de
systematische plaatsing onzeker is, bijv. Hydrobia sedis incertae (het is
onzeker tot welk subgenus de betreffende
soort behoort).
|
|
Sensu lato
|
s.l. of s.lat.; in ruimere zin, waarmee gesuggereerd wordt dat het
betreffende taxon s.l. wellicht als méér
dan één taxon geïnterpreteerd zou moeten worden.
|
|
Sensu stricto
|
s.s. of s.str.; in engere zin, waarmee gesuggereerd wordt dat het betreffende
taxon wellicht een lagere rangorde verdient.
|
|
Sibling species
|
morfologisch identieke, maar genetisch echte
(dus niet kruisbare) soorten, die op basis van hun uiterlijk niet kunnen worden
onderscheiden.
|
|
Soort
|
species; er is heel veel over het begrip soort geschreven, maar een
definitie die op alle natuurlijke situaties bevredigend toepasbaar is,
bestaat niet; dat is niet verwonderlijk; soorten kunnen in de loop van de
evolutie zonder scherpe grenzen overgaan in andere soorten.
Een soort bestaat volgens een populaire definitie uit één of meer
populaties van individuen, die een onderlinge
samenhang vertonen door overeenkomstige kenmerken, en die bovendien in
principe in staat zijn onder natuurlijke omstandigheden onderling vruchtbare
nakomelingen voort te brengen (kruisbaar zijn); in een laboratorium heersen
geen natuurlijke omstandigheden, zodat men daar niet kan toetsen of twee
vormen tot dezelfde soort moeten worden gerekend of niet.
Bij fossielen zijn experimenten uiteraard onmogelijk, maar ook bij
recente organismen met ongeslachtelijke voortplanting kan kruisbaarheid
geen criterium zijn; in de praktijk wordt dan ook de herkenbaarheid op
basis van een karakteristieke combinatie van kenmerken van groot belang
geacht; bij recente organismen, of fossielen uit hetzelfde stratigrafische
niveau, wordt bij probleemgevallen (één of twee soorten ?)
bewust gezocht naar het al dan niet voorkomen van tussenvormen. Als die ergens
gevonden worden, gaat het niet om verschillende soorten; de tussenvormen worden
dan als een aanwijzing voor kruisbaarheid gezien; als echter twee
problematische vormen nooit ergens samen gevonden worden, levert de natuur
geen basis voor een bevredigend antwoord. Inmiddels zijn er heel wat zgn.
'sibling species' bekend, recente soorten die volstrekt
niet kruisbaar zijn (dus echt verschillende soorten), maar op basis van hun
uiterlijk niet onderscheiden kunnen worden; deze categorie zal bij fossielen
dus niet of nauwelijks (soms met moderne moleculaire methoden) aan het licht
kunnen komen; bij fossielen speelt bovendien het probleem van de afgrenzing
van soorten binnen een reeks van in de tijd opeenvolgende, samenhangende
vormen, vooral als er veel materiaal ter beschikking staat; hier zijn
subjectieve beslissingen soms onvermijdelijk; zie ook
ondersoort.
|
|
Sp.
|
spec.
|
|
Spec.
|
afkorting van species (soort); deze afkorting wordt vaak
gebruikt om aan te geven dat een determinatie tot
op de soort niet mogelijk wordt geacht; de afkorting komt dan in de plaats van
het epitheton specificum, bijv. Pisidium spec.
|
|
Speciatie
|
soortvorming; zie bij soort.
|
|
Species
|
soort.
|
|
Splitter
|
een Engelse term voor een systematicus die geneigd
is veel taxa te onderscheiden, bijv. veel soorten in
plaats van een geringer aantal, meer variabele soorten; zie ook
lumper.
|
|
Sub-
|
het voorvoegsel 'onder-', dat bij uiteenlopende
taxa kan voorkomen om een één stap lagere
taxonomische categorie aan te geven, zoals
subspecies voor ondersoort, of subclassis voor
onderklasse; zie ook super-.
|
|
Subgenus
|
zie bij sub-
|
|
Subspecies
|
ondersoort.
|
|
Super-
|
een voorvoegsel dat bij uiteenlopende taxa kan voorkomen
om een één stap hoger taxon aan te geven; zie ook
sub-.
|
|
Symplesiomorfie
|
het voorkomen van een plesiomorfe vorm van een
kenmerk bij bijv. een aantal soorten, er is weliswaar ooit een
soort geweest die als eerste die plesiomorfe vorm van dat
kenmerk bezat, maar sommige afstammelingen van die soort hebben later
apomorfe vormen (toestanden) van dat kenmerk ontwikkeld;
op basis van symplesiomorfie wordt dus een groep van soorten samengenomen die
in zekere zin onnatuurlijk is, want er ontbreken de groepjes nakomelingen in
die later apomorfe vormen hebben gekregen.
|
|
Synapomorfie
|
het voorkomen van een apomorf kenmerk bij bijv. een
aantal soorten, wat er op zou kunnen wijzen dat die soorten afstammen van een
vooroudersoort, die als eerste dat apomorfe kenmerk ontwikkelde; alle
zoetwaterslakkensoorten met een kapvormige, dus wat dat betreft apomorfe,
schelpvorm zouden dus kunnen afstammen van een soort die
als eerste zo'n schelpvorm ontwikkelde; vaak, zoals ook bij dit voorbeeld, is
het probleem dat andere gegevens er op lijken te wijzen dat er enkele keren
onafhankelijk kapvormige schelpen zijn ontstaan in de loop der evolutie,
dus dat er convergentie is opgetreden.
|
|
Synoniemen
|
verschillende namen voor dezelfde soort.
|
|
Syntypen
|
al het oorspronkelijk aanwezige, in de beschrijving verwerkte
lectotype materiaal, waarbinnen de
auteur verder geen selectie heeft gemaakt; zie ook
type-materiaal.
|
|
Systematicus
|
iemand die zich met systematiek bezig houdt.
|
|
Systematiek
|
binnen de biologie de wetenschap die zich ten doel stelt de uiteenlopende
soorten van organismen, genera, enz., in een
hiërarchisch systeem onder te brengen (classificeren); in het ideale geval
geeft dat systeem dan een afspiegeling van de natuurlijke verwantschappen
tussen de uiteenlopende levensvormen, ontstaan tijdens de evolutie.
|
|
Taxa
|
meervoud van taxon.
|
|
Taxon
|
een natuurlijke, unieke eenheid, die individualiteit heeft en maar
één keer tijdens de evolutie is ontstaan: alle (!)
afstammelingen van één soort, dus bijv. een
genus (zoals bijv. Planorbis) of een
familie (zoals bijv. Valvatidae) vormen een taxon, maar
de groep 'zoetwaterslakken' niet.
|
|
Taxonomie
|
systematiek.
|
|
Trinominaal
|
De uit drie woorden (nl. genus,
epitheton specificum en
epitheton subspecificum) bestaande naam van een
ondersoort, al dan niet met (tussen haakjes) de
toevoeging van de naam van een subgenus); zie ook
binominaal.
|
|
Type-localiteit
|
de plaats waar het holo-,
lecto-, of neotype vandaan
komt; zie ook type-materiaal.
|
|
Type-materiaal
|
het materiaal waarop de oorspronkelijke beschrijver en naamgever
(de auteur) van een soort of
ondersoort de beschrijving baseerde; onderscheiden
worden o.a.: syntypen,
holotype, paratype,
lectotype & neotype
|
|
Type-soort
|
de als zodanig geselecteerde soort waaraan de naam van
een genus of subgenus
onlosmakelijk verbonden is; wordt bijv. een genus later
opgesplitst in twee genera, dan blijft de oorspronkelijke
naam gekoppeld aan de groep waartoe de type-soort behoort.
|
|
Zustersoorten
|
wanneer een soort in de loop van de evolutie opsplitst in
twee soorten, zijn dat per definitie zustersoorten.
|